De strijd tegen dwangarbeid is onder de regering van Donald Trump veranderd van een voornamelijk mensenrechtelijk dossier in een hard instrument van handelspolitiek, waarbij de Bahama’s, Guyana en Trinidad en Tobago sinds vrijdag onder een nieuw Amerikaans tariefregime vallen dat landen financieel raakt wanneer zij volgens Washington onvoldoende voorkomen dat producten die met gedwongen arbeid zijn vervaardigd via hun eigen markten de internationale handelsketen binnendringen. De maatregel treft zestig economieën en maakt duidelijk dat toegang tot de grootste consumentenmarkt ter wereld steeds nadrukkelijker wordt gekoppeld aan de vraag hoe landen hun volledige handelsketen controleren, waarbij niet alleen telt wat een land zelf produceert, maar ook welke goederen het importeert, doorvoert en opnieuw onderdeel laat worden van mondiale productieketens.
Guyana en de Bahama’s krijgen een Amerikaans invoertarief van 12,5 procent op goederen die onder de maatregel vallen, terwijl Trinidad en Tobago onder het tarief van 10 procent terechtkomt. Ook de Dominicaanse Republiek behoort tot de Caribische economieën die door het nieuwe regime worden geraakt. Het verschil lijkt op papier beperkt, maar achter die tweeënhalve procentpunt bevindt zich een veel grotere politieke boodschap, omdat Washington landen die een verbod op de invoer van goederen uit dwangarbeid hebben ingevoerd of zich daartoe formeel hebben verplicht, gunstiger behandelt dan economieën waarvan het Amerikaanse handelsapparaat vindt dat die juridische bescherming nog onvoldoende aanwezig of onvoldoende afdwingbaar is.
Trinidad en Tobago wist uiteindelijk in de categorie van 10 procent terecht te komen nadat het land maatregelen nam om de invoer van producten uit gedwongen arbeid te verbieden, waardoor het nominale tarief voor het land niet hoger wordt dan het tijdelijke algemene tarief van 10 procent dat eraan voorafging, maar de juridische basis ervan wel verandert. Voor Guyana en de Bahama’s is de overgang zwaarder, omdat hun tarief naar 12,5 procent stijgt en exporteurs daarmee een extra kostenlaag krijgen wanneer hun producten niet onder een uitzondering vallen. Daarmee verandert een discussie over arbeidsrechten plotseling in een concrete concurrentiefactor die invloed kan hebben op prijzen, marges, contracten en uiteindelijk de aantrekkelijkheid van Caribische goederen op de Amerikaanse markt.
De juridische constructie achter de maatregel maakt het verhaal nog ingrijpender, omdat Washington Section 301 van de Trade Act van 1974 inzet, een instrument waarmee de Verenigde Staten kunnen reageren op buitenlandse beleidspraktijken die volgens de Amerikaanse beoordeling onredelijk of discriminerend zijn en de Amerikaanse handel belasten. Onderzoeken naar zestig economieën begonnen in maart, waarna in juni werd vastgesteld dat hun beleid rond het weren van goederen uit dwangarbeid aanleiding gaf voor verdere actie. Daarna volgden consultaties, duizenden schriftelijke reacties en meerdere openbare hoorzittingen, maar de uiteindelijke conclusie veranderde niet fundamenteel en tarieven werden verkozen boven een zachtere diplomatieke route.
Het opvallende aan deze Amerikaanse strategie is dat een land niet eerst hoeft te worden betrapt op grootschalige binnenlandse productie met dwangarbeid voordat financiële consequenties ontstaan. Het probleem ligt volgens de Amerikaanse redenering eveneens bij landen die onvoldoende verhinderen dat goederen die elders onder gedwongen arbeid zijn gemaakt hun eigen markt binnenkomen, waardoor nationale douanewetgeving, handelscontrole, herkomstonderzoek en ketentransparantie ineens onderdeel worden van de concurrentiepositie van een economie. Een exporteur kan daardoor zelf volledig volgens de regels produceren en toch terechtkomen in een landentarief dat ontstaat omdat de overheid onvoldoende controles heeft ingericht op goederen die andere ondernemingen importeren.
De schaal van het Amerikaanse besluit maakt duidelijk dat dit geen marginale handelsactie is, aangezien de zestig onderzochte economieën gezamenlijk ongeveer 99,4 procent van de Amerikaanse invoer vertegenwoordigen. Niet ieder product wordt echter automatisch met 10 of 12,5 procent belast, omdat bepaalde grondstoffen, goederen waarvan de Amerikaanse economie sterk afhankelijk is, artikelen die onvoldoende binnenlands kunnen worden geproduceerd en producten die al onder andere specifieke Amerikaanse handelsmaatregelen vallen, geheel of gedeeltelijk zijn uitgezonderd. Het economische effect moet daarom per exportsector worden berekend en niet door simpelweg een tariefpercentage over de totale handelswaarde te leggen, maar voor ondernemers buiten de uitzonderingen verandert de rekensom onmiddellijk.
Die rekensom is vooral voor Guyana relevant omdat de Verenigde Staten in 2025 voor ruim US$5,1 miljard aan goederen uit het land invoerden, waarmee de Amerikaanse markt een belangrijke bestemming vormt voor een economie die door de petroleumsector in hoog tempo van omvang en handelsprofiel verandert. Uit de Bahama’s importeerde de Verenigde Staten datzelfde jaar ongeveer US$2,6 miljard aan goederen en uit Trinidad en Tobago ongeveer US$2,7 miljard. De werkelijke blootstelling ligt lager doordat verschillende productcategorieën buiten het tarief kunnen vallen, maar de handelsvolumes illustreren wel waarom beslissingen in Washington voor relatief kleine Caribische economieën disproportioneel grote gevolgen kunnen hebben.
De Bahamaanse regering heeft inmiddels laten weten de gevolgen voor lokale exporteurs te onderzoeken en in gesprek te gaan met Amerikaanse functionarissen, waarbij Nassau vooral wil weten in hoeverre recente eigen wetswijzigingen daadwerkelijk zijn meegewogen. Dat punt is politiek interessant omdat de Bahama’s recent juridische ruimte hebben gecreëerd om de invoer te verbieden van goederen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij geheel of gedeeltelijk met dwangarbeid zijn vervaardigd. Kennelijk was die stap voor Washington op het moment van de definitieve beoordeling niet voldoende om het land naar de categorie van 10 procent te brengen, waardoor niet alleen de aanwezigheid van wetgeving telt, maar kennelijk ook de manier waarop een verbod is vormgegeven en aantoonbaar kan worden uitgevoerd.
Achter het nobele argument van bescherming tegen moderne slavernij bevindt zich daarmee ook een stevig machtspolitiek instrument, want tarieven geven Washington de mogelijkheid zijn eigen reguleringsstandaarden feitelijk buiten de Amerikaanse grenzen te laten doorwerken. Een kleine economie die haar wetgeving niet tijdig aanpast, haar douane onvoldoende informatie geeft, geen betrouwbare herkomstcontrole uitvoert of onvoldoende kan bewijzen dat verboden producten worden geweerd, kan uiteindelijk merken dat haar eigen export duurder wordt gemaakt. Arbeidsrechten worden daarmee onderdeel van handelsdiplomatie en handelsdiplomatie wordt steeds meer een systeem waarin toegang tot grote markten afhankelijk wordt van de kwaliteit van nationale instituties.
Dat creëert voor CARICOM een vraagstuk dat groter is dan de drie landen die deze ronde rechtstreeks worden geraakt, omdat regionale economieën vaak afhankelijk zijn van import, doorvoer, beperkte douanecapaciteit en handelsstromen uit verschillende continenten waarvan de productieketen niet altijd tot de oorspronkelijke fabriek kan worden teruggeleid. Gezamenlijke standaarden voor traceerbaarheid, risicoselectie, douane informatie, leverancierscontrole en verbodslijsten zouden daarom meer kunnen opleveren dan wanneer ieder klein land afzonderlijk probeert dezelfde internationale handelsrisico’s te beheersen. Regionale integratie krijgt in zo’n omgeving een andere betekenis, omdat gezamenlijke compliance niet alleen bureaucratische samenwerking is maar rechtstreeks economische schade kan voorkomen.
Suriname staat niet tussen de zestig economieën die in deze Amerikaanse onderzoeksronde zijn opgenomen, maar die afwezigheid zou geen reden moeten zijn om het dossier terzijde te schuiven, zeker niet in een periode waarin het land zijn internationale handelspositie wil verbreden en zich voorbereidt op een veel grotere oliegerelateerde economie. Een geloofwaardig verbod op de invoer van goederen uit dwangarbeid, gekoppeld aan werkbare douaneprocedures, digitale herkomstinformatie, risicoanalyses en aantoonbare handhaving, kan veel goedkoper worden opgebouwd voordat een handelspartner vragen begint te stellen dan nadat exporteurs reeds met strafheffingen worden geconfronteerd. Economische diplomatie begint steeds vaker in nationale wetgeving en technische uitvoeringscapaciteit, niet pas wanneer een delegatie naar Washington wordt gestuurd om schade te herstellen.
De ontwikkeling laat uiteindelijk zien dat de nieuwe handelsorde steeds minder ruimte laat voor landen die denken dat wetgeving alleen voor de binnenlandse markt wordt geschreven, omdat grote economische machten hun normen via tarieven, markttoegang en handelsvoorwaarden steeds verder over de grens projecteren. Dwangarbeid is een ernstig probleem dat uit internationale productieketens moet verdwijnen, maar de manier waarop Washington dat doel nastreeft laat tegelijk zien hoe mensenrechten, economische macht en geopolitieke druk in elkaar zijn geschoven. Wie toegang wil houden tot belangrijke markten zal daarom niet alleen moeten kunnen aantonen dat eigen producenten schoon werken, maar ook dat het land weet wat het importeert, wie eraan heeft verdiend en onder welke omstandigheden het ergens aan het begin van de keten werd gemaakt.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com