In de landbouwpolitiek van Suriname klinkt opnieuw de vraag hoe een land met vruchtbare grond toch zo afhankelijk kan blijven van voedsel uit het buitenland. Tijdens een ontmoeting tussen LVV minister Mike Noersalim en de Pakistaanse ambassadeur Murad Ashraf Janjua stond kennisoverdracht centraal, omdat moderne landbouw niet begint bij machines of mooie plannen, maar bij onderzoek, vakmanschap en mensen die weten hoe zij gewassen sterker kunnen maken. Pakistan heeft op agrarisch gebied ruime ervaring en toonde zich bereid om inzichten, onderzoeksresultaten en praktische kennis met Suriname te delen.
De ontmoeting raakt aan een oud maar urgent probleem. Suriname wil de export vergroten en de import verminderen, maar volgens de minister wordt momenteel ongeveer 65 procent van het voedsel geïmporteerd en slechts 35 procent lokaal geproduceerd. Dat betekent dat een land met landbouwpotentie nog altijd veel geld naar buiten laat vloeien voor producten die in bepaalde gevallen zelf geteeld, verwerkt of vervangen kunnen worden.
Pakistan en Suriname herkennen deels dezelfde druk. Beide landen hebben te maken met klimaatverandering, vergrijzing in de landbouw en een afnemende belangstelling van jongeren voor agrarisch werk. Voor Suriname is dat extra gevoelig, omdat de sector niet alleen grond nodig heeft, maar vooral nieuw kader, technisch inzicht, ondernemerszin en een generatie die landbouw niet ziet als laatste keuze, maar als moderne economische kans.
In het gesprek kwam ook de mogelijkheid aan bod om de wereldbekende Pakistaanse Basmatirijst in Suriname te planten. Dat idee is interessant, maar vraagt om zorgvuldig onderzoek naar bodem, waterbeheer, klimaat, opbrengst, ziektegevoeligheid, marktwaarde en verwerking. Basmati is niet zomaar rijst, maar een kwaliteitsproduct met een sterke internationale naam, waardoor Suriname alleen moet instappen wanneer de teelt technisch haalbaar en commercieel onderscheidend kan worden.
Minister Noersalim wees erop dat Nickerie bekendstaat als het rijstdistrict van het land. Toch is de schaal sterk teruggevallen, want in het afgelopen seizoen werd ongeveer 20.000 hectare rijst geplant, terwijl dat vroeger ruim 100.000 hectare was. Die daling laat zien dat Suriname niet alleen een productieprobleem heeft, maar ook een structureel verlies aan organisatie, kennis, arbeidskracht en vertrouwen in de sector.
Volgens de minister is een deel van de achteruitgang te verklaren doordat in de afgelopen decennia veel kader is weggetrokken. Het Anne van Dijk Rijst Onderzoekscentrum kan nieuwe variëteiten ontwikkelen, maar dat proces vraagt ongeveer zestien seizoenen. Noersalim maakte duidelijk dat het land geen acht jaar kan wachten op een nieuwe rijstvariëteit wanneer de markt, de boeren en de voedselzekerheid vandaag al druk voelen.
Daarom is samenwerking met landen die ervaring hebben met gewassen, verwerking en onderzoek geen diplomatieke versiering, maar economische noodzaak. Kennis uit Pakistan kan helpen om sneller te leren welke rassen, technieken en verwerkingsmethoden toepasbaar zijn in Suriname. Tegelijk moet Suriname voorkomen dat buitenlandse kennis simpel wordt gekopieerd zonder lokale proefvelden, boerenparticipatie en stevige wetenschappelijke toetsing.
De minister sprak ook over de noodzaak om landbouwontwikkeling niet langer bijna uitsluitend aan de kustvlakte te koppelen. Suriname beschikt over vruchtbare gebieden, maar investeringen moeten beter worden gespreid en afgestemd op bodem, water, infrastructuur en afzet. Zuidelijker gelegen gebieden kunnen alleen verantwoord worden meegenomen wanneer ontsluiting, milieubescherming, gemeenschapsrechten en productieketens vanaf het begin serieus worden geregeld.
De importlijst maakt duidelijk hoe breed de uitdaging is. Producten zoals soja, maïs en champignons worden nog altijd ingevoerd, terwijl bepaalde teelten lokaal onderzocht of opgeschaald kunnen worden. Dat vraagt niet alleen boeren, maar ook opslag, koeling, verwerking, kwaliteitscontrole, financiering en marktafspraken met supermarkten, hotels, instellingen en exporteurs.
Ook pluimvee kwam aan bod als voorbeeld van een sector waar lokale productie onder druk staat. Lokale kip is op dit moment duurder dan importkip, waardoor consumenten vaak kiezen voor het goedkopere product en lokale kwekers moeilijker kunnen concurreren. LVV wil daarom landelijk trainingen verzorgen voor jonge ondernemers die zich willen richten op pluimveekweek, wat alleen effect heeft wanneer voer, dierengezondheid, schaalgrootte en afzet tegelijk worden aangepakt.
Suriname moet landbouw opnieuw behandelen als kennisindustrie, niet als sector die vanzelf groeit zodra er grond beschikbaar is. De samenwerking met Pakistan kan waardevol zijn wanneer zij leidt tot praktische proefprojecten, snellere variëteitentesten, betere verwerking, jongerenopleiding en meetbare resultaten in rijst, pluimvee en andere importvervangende producten. Een land dat zijn voedselrekening wil verlagen, moet boeren niet alleen aanmoedigen, maar hen ook voorzien van data, begeleiding, financierbare modellen en toegang tot markten.
De ontmoeting tussen Noersalim en Janjua laat zien dat landbouwdiplomatie concreet kan worden wanneer zij draait om kennis, productie en voedselzekerheid. Suriname heeft grond, water en ervaring, maar moet opnieuw bouwen aan de mensen en systemen die van die voordelen echte opbrengst maken. Als die omslag lukt, kan de discussie over rijst, kip en import veranderen in een bredere strategie voor werkgelegenheid, export en nationale veerkracht.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com