Wie alleen naar de fiscale hoofdlijnen kijkt, kan zich snel rijk rekenen, omdat Staatsolie zelf aangeeft dat Suriname in offshorecontracten werkt met een royalty van 6,25 procent, plus winstolie en 36 procent inkomstenbelasting, wat samen volgens het bedrijf kan uitkomen op een overheidstake van 60 tot 70 procent na kosten, afhankelijk van de olieprijs. Wie daarna het document openslaat waar mr Spong naar verwijst, het Production Sharing Contract voor petroleumexploratie, ontwikkeling en productie, dat ook publiek op de website van Staatsolie staat, ziet dat maatschappelijke winst niet vanzelf uit die percentages volgt, omdat bepalingen die de lokale economie moeten stimuleren vaak ruim zijn geformuleerd. Dan ontstaan meteen de vragen, wie dwingt het af, hoe meet je succes, en wat gebeurt er als de praktijk achterblijft bij de belofte.
Die spanning verklaart waarom de uitspraken van advocaat Gerard Spong, de duiding van Rudolf Elias en de publieke reactie van Staatsolie-topman Eddy Fränkel soms langs elkaar heen lijken te gaan. Spong legde op televisie de nadruk op cash bij royalties en waarschuwde voor een rode loper voor eventuele witwaspraktijken, en in ons gesprek met mr Spong bleek dat hij daarbij werkte met het publiek beschikbare model Production Sharing Contract. Waarnemend CEO Eddy Fränkel reageerde via Radio ABC dat dit beeld onjuist is en weersprak de beweringen. Het debat raakt een technisch punt dat in petroleumregimes vaker voorkomt, omdat royalty in natura kan worden geleverd of in geld kan worden verrekend, maar die nuance verdwijnt zodra de communicatie niet duidelijk is, of zodra teksten ruimte laten voor meerdere interpretaties. Dan wint ambiguïteit, want wat op papier staat, kan door verschillende partijen anders worden geïnterpreteerd. Tegelijk moeten we toetsen of wat mr Fränkel zegt ook zo in het contract terug te vinden is, want als een woord cash van mr Spong al zoveel losmaakt, is de vervolgvraag hoe goed de bescherming van het contract voor de samenleving werkelijk is, en wie daar toezicht op houdt.
Daarom geeft het Production Sharing Contract voor petroleumexploratie tegelijk vertrouwen en twijfel, het stelt gerust omdat Staatsolie formeel bevoegd is om kosten voor terugwinning te toetsen en goed te keuren via boekhoud- en auditartikelen en de bijbehorende procedures. Het roept twijfel op, omdat de hoofdstukken over local content en training, in het document waar mr Spong naar verwijst, wel richting geven, maar nauwelijks harde ondergrenzen neerzetten die de kleine ondernemer beschermen tegen het klassieke patroon waarbij buitenlandse leveranciers vroeg instappen en lokale bedrijven pas later aan bod komen. Dan blijft ook de vraag staan wie Staatsolie controleert bij de uitvoering van die procedures, zodat niet alleen regels bestaan, maar de kleine man er ook echt aan heeft.
De local content bepaling in het document zegt dat er voorkeur moet worden gegeven aan Surinaamse materialen, diensten en producten als prijs, kwaliteit en levertijd gelijkwaardig of gunstiger zijn, en dat Staatsolie elk kwartaal lijsten met lokale aankopen ontvangt. Dat klinkt als toezicht, maar het sleutelwoord blijft gelijkwaardig, want wie bepaalt wanneer een offerte gelijkwaardig is, hoe wordt lokale toegevoegde waarde gewogen, en hoeveel transparantie krijgt het publiek. Hetzelfde geldt voor de personeelsparagraaf die spreekt over prioriteit voor Surinamers, voor zover maximaal praktisch, met opnieuw rapportage, maar zonder een meetlat die later echt houvast biedt voor controle, sancties of bijsturing.
Het trainingshoofdstuk laat die open eindes nog scherper zien, omdat in het model wel staat dat er in de exploratiefase jaarlijks 100.000 Amerikaanse dollar wordt gereserveerd voor training van Staatsolie-vertegenwoordigers of maatschappelijke programma’s, en na eerste productie 400.000 Amerikaanse dollar per jaar, terwijl die uitgaven niet meetellen voor cost recovery. Tegelijk staat er niet bij hoeveel mensen dat concreet moet opleveren, welke certificeringen tellen, welke sectoren prioriteit krijgen, en hoe de resultaten publiek worden verantwoord. Zo kan een contract juridisch verdedigbaar zijn en toch economisch teleurstellen, simpelweg omdat de uitvoering verschuift naar comités, jaarplannen en interpretatie, en dus naar macht en onderhandeling.
Ik neem het IMF stuk van 20 November 2025 erbij, omdat het relevant is, ook al gaat het over macrobeleid en niet over één contractzin. Het IMF verwacht dat Block 58 in 2028 olie gaat produceren en dat het effect zo groot kan zijn dat het reële bbp tegen 2030 verdubbelt, maar het benadrukt tegelijk dat Suriname nu instellingen moet bouwen, van een stevig spaar- en stabilisatiefonds tot strakke governance, omdat juist voor de oliegolf de fouten worden gemaakt die daarna nauwelijks nog te corrigeren zijn. Het IMF vraagt expliciet om meer transparantie en anticorruptiecontroles, inclusief het publiceren van tenders en contracten, het zichtbaar maken van begunstigden en betrokken ambtenaren, en het aanscherpen van regels rond politiek prominenten en staatsbedrijven.
De vergelijking met Guyana hangt daarbij als waarschuwing boven het debat, omdat daar lange jaren kunnen ontstaan waarin het grootste deel van de productie naar kostenolie gaat. Met in het begin een beperkte overheidstake, iets wat mede wordt verklaard door een royalty van 2 procent en een plafond van 75 procent voor cost oil. Suriname stelt dat zijn regime gunstiger is dan dat van Guyana, maar zelfs een gunstiger split levert weinig op voor de samenleving wanneer local content, aanbestedingen, audits en vaardigheden niet hard genoeg zijn georganiseerd en afgedwongen in een contract.
Staatsolie zal dus niet alleen gelijk moeten krijgen in een debat met Spong, maar vooral geloofwaardig moeten laten zien hoe de Surinaamse ondernemer straks meedoet, niet als decorstuk maar als leverancier, werkgever en belastingbetaler. Het gaat om praktische vragen die meetbaar moeten worden beantwoord, wie krijgt wanneer toegang tot tenders en met welke objectieve scoring, welke minimale rapportages worden publiek gemaakt, welke audits op kosten, prijzen en interne verrekeningen worden standaard, welke opleidingen worden betaald uit de 100.000 en 400.000 dollar per jaar, en hoeveel mensen stromen jaarlijks door naar functies die ook na de bouwfase blijven bestaan. Het gaat ook om de vraag welke routes lokale bedrijven krijgen richting het centrum voor nationale bedrijfsontwikkeling waarover wordt gesproken door Mr Fränkel, en hoe wordt gemeten of dat centrum daadwerkelijk kansen opent.
In datzelfde spanningsveld plaatst Mr Elias de discussie in een bredere context, omdat hij steeds terug komt op het risico dat oliedollars Suriname niet verrijken, maar ontregelen, wanneer er geen harde roadmap ligt voor beheer, verdeling en toezicht. Hij benadrukt dat het vertrouwen van buitenlandse banken, en de bereidheid om volgens hem 1,6 miljard dollar te lenen, pas echt waarde krijgt als het land tegelijk een projectgroep neerzet met juristen, economen, maatschappelijke organisaties en politiek, die bindende spelregels vastlegt voor transparantie, fondsvorming en bestedingsprioriteiten. Zijn kernpunt blijft dat local content, training en sociale verantwoordelijkheid geen losse hoofdstukken mogen zijn, maar meetbaar moeten doorwerken in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en bescherming van het bos, omdat juist die combinatie bepaalt of olie een zegen wordt of een genadeklap.
Deze week zetten we deze punten verder uiteen met Rudolf Elias in de studio van Ko’W’ Checking, want Surinaamse ondernemers mogen niet aan de zijlijn blijven staan. Als het publieke Production Sharing Contract al zoveel vragen oproept, dan is de logische vervolgvraag of het definitieve, ondertekende contract op de cruciale punten strakker is geformuleerd, en vooral of Suriname straks niet alleen een sterke deal op papier heeft, maar ook een sterke routekaart waarmee de brede samenleving er aantoonbaar beter van wordt.