Vijftig jaar na de staatkundige onafhankelijkheid blikt musicus, medicus, politicus en activist drs. Willem (Wim) Bakker met gemengde gevoelens terug op de ontwikkeling van Suriname. Hij stelt dat de dekolonisatie van 1975 niet heeft geleid tot een stabiele, inclusieve natie, maar juist tot fragmentatie en etnische polarisatie. Volgens Bakker was de belofte van onafhankelijkheid dat alle bevolkingsgroepen zich zouden herkennen in de natie, zich veilig zouden voelen en in harmonie konden samenleven. Dat is niet gelukt. De samenleving is eerder verder gesegmenteerd geraakt. Het bestuur is verzwakt, want er is geen centraal gezag meer dat door iedereen wordt gerespecteerd.
Hij schetst een zorgwekkende ontwikkeling waarin Suriname volgens hem is verschoven van een rechtsstaat naar een machtsstaat. We moesten een rechtsstaat opbouwen. In plaats daarvan zijn we terechtgekomen in een politieke cultuur die machiavellistisch is. Politiek is verworden tot een oorlogscultuur de vriend van mijn vijand is ook mijn vijand.
Bakker, die in de jaren tachtig de SuriPop-wedstrijd won met het lied Mi sa tan, kijkt met weemoed terug naar de periode rond 1975. Dat was een bloeitijd. De literatuur, de kunst, de wetenschap alles stond in volle bloei. Er was optimisme, vertrouwen, hoop. Nu is dat veranderd in cynisme en wantrouwen. Het vertrouwen in de toekomst is grotendeels verdwenen.
Over het huidige bestuur is hij kritisch. Volgens Bakker is de bestuurscultuur vervallen, mede doordat bestuurders te nauw verweven zijn geraakt met lokale netwerken, families en economische belangen. Vroeger was er afstand tussen bestuurders en bevolking. Een districtscommissaris had sympathie voor mensen, maar geen persoonlijke belangen. Nu tast verwevenheid met lokale groepen de objectiviteit aan.
Die morele achteruitgang ziet hij niet alleen in het bestuur maar in de samenleving als geheel. Door technologische en sociale veranderingen hebben mensen elkaar minder nodig. Moraal ontwikkelt zich niet achter een scherm, maar in de omgang met anderen.
De dienstbaarheid aan het volk is volgens Bakker verdrongen door cliëntelisme. Er is nog wel dienstbaarheid, maar alleen richting de eigen achterban. Die krijgt vergunningen, grond en andere voordelen. Dat is geen nationaal belang, maar vriendjespolitiek. Hij benadrukt dat religie en politiek gescheiden moeten blijven, maar dat religieuze waarden wel richting kunnen geven. Politiek hoort boven religie en etniciteit te staan, want ze moet het gedeelde belang van vrede en veiligheid dienen.
Ook het onderwijssysteem moet volgens hem grondig worden vernieuwd. Het sluit niet aan bij de uitdagingen van deze tijd. We moeten leren rondom echte problemen zoals wateroverlast of milieuvraagstukken. Dáár leer je kritisch denken en burgerschap.
De relatie tussen burger en overheid noemt hij ernstig verstoord. Burgers vertrouwen ambtenaren niet meer, en ambtenaren behandelen burgers steeds vaker onbeleefd. Corruptie en slechte dienstverlening ondermijnen dat vertrouwen verder. Bakker ziet de grootste fout van de afgelopen vijftig jaar in het overnemen van het westerse model van parlementaire democratie. Dat werkte binnen het Koninkrijk, maar niet in een land met zoveel verschillende gemeenschappen. Suriname is eerder een imperium van naties dan een homogene natie. Een federale staatsstructuur zou beter passen, waarbij diversiteit grondwettelijk wordt erkend. Volgens hem ligt de sleutel voor Suriname in het opnieuw definiëren van nationale eenheid. We moeten leren één volk te zijn, niet door uniformiteit, maar door respect voor verschil. Pas dan kan Suriname echt onafhankelijk zijn.