Suriname wil minder afhankelijk worden van voedselimport en de eigen veehouderij versterken. Daarvoor krijgt de sector de komende jaren technische en financiële ondersteuning van de Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO), in samenwerking met het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV). Het project klinkt ambitieus, maar de grootste uitdaging ligt niet in het formuleren van plannen. Die ligt in het daadwerkelijk aanpakken van de structurele problemen die de Surinaamse veehouderij al jaren afremmen. Het project ‘Supporting the Surinamese agrifood system through Livestock development and Youth Engagement’, loopt van 2026 tot en met 2028. Volgens de openbare projectregistratie van de FAO bedraagt het budget USD 300.000. Tijdens een workshop werden vertegenwoordigers uit de agrarische sector geïnformeerd over de uitvoering. Minister Mike Noersalim van LVV koppelde het project nadrukkelijk aan voedselzekerheid en een grotere binnenlandse productie. Suriname importeert aanzienlijke hoeveelheden voedsel die volgens de regering ook lokaal geproduceerd zouden kunnen worden. Vooral melkproducten en kip worden daarbij genoemd. De minister stelde dat iedere dollar die wordt uitgegeven aan een product dat Suriname zelf kan produceren, er in feite één te veel is.
Die redenering legt echter meteen een zwakke plek zichtbaar. Minder import ontstaat niet automatisch door technische ondersteuning of beleidsambities. Daarvoor moet de lokale productie structureel concurrerender, betrouwbaarder en betaalbaarder worden. Producenten hebben niet alleen kennis nodig, maar ook toegang tot financiering, machines, betaalbare productiemiddelen, infrastructuur, waterbeheer, markten en een stabiel ondernemingsklimaat. Een belangrijk onderdeel van het project is de verbetering van grasland. Voor een rendabele veehouderij is de kwaliteit en beschikbaarheid van voer van directe invloed op de productiviteit. LVV wil daarom breder kijken dan alleen de bodem. Waterbeheer, beweiding, mechanisatie, technologie en kennis moeten onderdeel worden van een modernere aanpak. De uitgangspositie biedt volgens LVV kansen. Suriname beschikt over zoetwater, veel zonlicht, geschikte bodems en C4-grassen die geschikt kunnen zijn voor veeteelt. Tegelijk worden onvoldoende technische kennis, beperkte mechanisatie, achterstallig onderhoud en gebrekkig waterbeheer als belangrijke beperkingen genoemd. Dat contrast is veelzeggend. De natuurlijke omstandigheden lijken gunstig, maar natuurlijke voordelen leveren pas economische resultaten op wanneer producenten beschikken over de middelen om die voordelen daadwerkelijk te benutten. Het project biedt mogelijkheden voor onder meer rotatiebeweiding, demonstratiegraslanden, biodiversiteit en silvopastorale systemen. Bij die laatste methode worden bomen en struiken gecombineerd met veehouderij.
Dat kan voordelen opleveren voor schaduw, bodemkwaliteit en het efficiënter benutten van landbouwgrond. Maar ook hier ligt de kern bij uitvoering. Demonstratieprojecten en trainingen zijn pas waardevol wanneer de opgedane kennis vervolgens op grotere schaal wordt toegepast en leidt tot aantoonbaar hogere productie. Een tweede pijler van het project is jongerenparticipatie. Minister Noersalim waarschuwde voor de afnemende belangstelling voor agrarische opleidingen en beroepen. Tegelijk verandert de sector snel. Moderne landbouw en veeteelt vragen steeds meer kennis van technologie, data, automatisering en efficiënte bedrijfsvoering. De uitspraak van de minister dat Suriname zich zonder jongeren niet zal kunnen blijven voeden, onderstreept de ernst van het probleem. De uitdaging is echter groter dan jongeren alleen enthousiast maken voor landbouw. Jonge ondernemers zullen pas daadwerkelijk instromen wanneer de sector perspectief biedt op een inkomen en een toekomst. Opleidingen zonder toegang tot grond, financiering, technologie en afzetmarkten kunnen de uitstroom naar andere sectoren nauwelijks stoppen. Hetzelfde geldt voor tijdelijke trainingen die niet worden gekoppeld aan langdurige begeleiding en ondernemerschap. LVV heeft eerder al initiatieven opgezet om jongeren en beginnende kwekers te trainen, onder meer in de pluimveesector.
Het nieuwe project zal daarom vooral moeten aantonen dat de verschillende initiatieven elkaar versterken en niet eindigen als losse trainingen en workshops. De FAO stelt volgens de openbare projectregistratie USD 300.000 beschikbaar voor deze projecten. Tijdens de bijeenkomst werd daarnaast een bedrag van SRD 1 miljoen genoemd. Dat bedrag is echter niet afzonderlijk terug te vinden in de openbare FAO-registratie. De FAO benadrukt het belang van samenwerking tussen overheid, producenten, kennisinstellingen, jongeren en andere organisaties. Omdat de organisatie momenteel geen kantoor in Suriname heeft, wordt de technische ondersteuning vanuit de regio georganiseerd. Het beschikbare budget is daarmee vooral te zien als een impuls, niet als oplossing voor alle structurele problemen van de sector. De daadwerkelijke impact zal afhangen van de manier waarop de middelen worden ingezet en van wat er na afloop van het project overeind blijft. Suriname heeft vaker uitgesproken minder afhankelijk te willen zijn van voedselimport. Het verschil tussen eerdere ambities en het nieuwe FAO-project zal daarom vooral zichtbaar moeten worden in concrete resultaten. Meer graslandproductiviteit, betere waterbeheersing, hogere productie per dier, meer moderne bedrijven en een aantoonbare instroom van jonge ondernemers zijn uiteindelijk relevanter dan het aantal gehouden workshops of trainingen. De periode tot 2028 biedt de overheid en de FAO de mogelijkheid om die resultaten zichtbaar te maken. Als producenten daadwerkelijk productiever worden en jongeren daadwerkelijk bedrijven starten en behouden, kan het project bijdragen aan een sterkere veehouderij.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com