Een regio die vrijwel iedere internationale crisis binnen enkele weken terugziet in duurdere brandstof, hogere voedselprijzen, oplopende schulden en vertraging van noodzakelijke investeringen, kan zich niet langer veroorloven haar ontwikkeling uitsluitend te laten afhangen van traditionele donoren en multilaterale instellingen die steeds sterker onder geopolitieke druk komen te staan. De Britse Maagdeneilanden hebben daarom opgeroepen tot een veel intensievere samenwerking tussen het Caribisch gebied, Latijns Amerika, Afrika, Azië en het Midden Oosten, waarmee de regio zichzelf beter moet beschermen tegen oorlogen, economische schokken en een internationaal systeem dat kleine staten vaak pas opmerkt wanneer een orkaan, schuldencrisis of humanitaire noodsituatie al is uitgebroken. De boodschap klinkt diplomatiek, maar bevat een harde erkenning die regionale leiders jarenlang voorzichtig hebben vermeden, namelijk dat afzonderlijke Caribische economieën te klein, te kwetsbaar en politiek te licht zijn om de komende wereldorde zelfstandig te overleven.
Benito Wheatley, speciaal gezant van de Britse Maagdeneilanden en vicevoorzitter van de regionale conferentie voor samenwerking tussen landen in het mondiale Zuiden, bracht deze waarschuwing naar voren tijdens een bijeenkomst onder leiding van de Economische Commissie voor Latijns Amerika en het Caribisch gebied in Santiago. Zijn oproep richtte zich op het versneld afronden van duidelijke afspraken waarmee Caribische landen structureel kunnen samenwerken met ontwikkelingspartners buiten hun gebruikelijke relaties met Europa en Noord Amerika. Het doel is niet om bestaande partnerschappen onmiddellijk te verbreken, maar om te voorkomen dat de regio opnieuw volledig wordt meegesleurd wanneer buitenlandse conflicten, handelsbeperkingen, financiële paniek of politieke koerswijzigingen elders de beschikbaarheid van geld, energie, voedsel en technologie verstoren.
Samenwerking tussen landen in het mondiale Zuiden wordt regelmatig gepresenteerd als een vriendelijke uitwisseling van kennis en ervaringen, maar achter dat keurige begrip schuilt een poging om economische afhankelijkheid opnieuw te ordenen. Landen uit Afrika, Azië, Latijns Amerika, het Midden Oosten en het Caribisch gebied beschikken gezamenlijk over grondstoffen, markten, technologische kennis, financiële instellingen en ontwikkelingsmodellen die elkaar kunnen aanvullen. Een eilandstaat met beperkte technische capaciteit kan leren van een land dat ervaring heeft met zonne energie, kustbescherming of digitaal bestuur, terwijl landbouwlanden toegang kunnen krijgen tot nieuwe markten en medische producenten geneesmiddelen kunnen leveren tegen voorwaarden die beter aansluiten op kleine economieën. De werkelijke kracht ontstaat wanneer zulke relaties niet blijven steken in conferenties, maar worden omgezet in gezamenlijke investeringen, technologieoverdracht, opleidingen en regionale productieketens.
Driehoekssamenwerking voegt daar een derde partner aan toe, meestal een ontwikkelingsbank, een traditionele donor, een internationale organisatie of een technisch instituut dat financiering en expertise beschikbaar stelt. Een Caribisch land kan bijvoorbeeld samenwerken met een staat uit het mondiale Zuiden die een succesvolle technologie heeft ontwikkeld, terwijl een Europese regering of multilaterale bank de uitvoering mede financiert. Deze constructie kan voorkomen dat kleine landen telkens dure oplossingen van grote commerciële ondernemingen moeten kopen zonder eigen kennis op te bouwen. Het model werkt echter alleen wanneer de Caribische staat niet wordt gedegradeerd tot ontvanger van een kant en klaar project, maar zeggenschap houdt over ontwerp, uitvoering, data, onderhoud en de langdurige economische voordelen.
De roep om nieuwe partners krijgt extra betekenis doordat het multilaterale systeem steeds minder betrouwbaar wordt voor kleine eilandstaten. Grote mogendheden besteden meer geld aan defensie, strategische concurrentie en binnenlandse bescherming, waardoor internationale ontwikkelingsbudgetten onder druk komen te staan en klimaatfinanciering achterblijft bij de omvang van de schade. Besluiten binnen mondiale instellingen worden daarnaast vertraagd door politieke blokkades en tegengestelde belangen, waardoor kwetsbare landen jarenlang kunnen onderhandelen over middelen die zij onmiddellijk nodig hebben. Een financieringsstelsel dat pas reageert nadat infrastructuur is verwoest, helpt een eiland herstellen maar voorkomt niet dat dezelfde schade bij de volgende storm opnieuw ontstaat.
Het Caribisch gebied wordt daarbij gevangen in een statistische misleiding, omdat verschillende landen op basis van het gemiddelde inkomen per inwoner worden behandeld alsof zij voldoende rijk zijn om hun ontwikkeling zelfstandig te financieren. De kleine bevolkingsomvang, hoge importafhankelijkheid, smalle belastingbasis en extreme blootstelling aan natuurrampen verdwijnen achter een nationaal inkomenscijfer dat weinig zegt over de werkelijke veerkracht van de economie. Een orkaan kan binnen enkele uren schade veroorzaken die gelijkstaat aan een groot deel van het jaarlijkse nationale inkomen, maar hetzelfde land kan buiten goedkope financieringsregelingen vallen omdat het volgens internationale criteria niet arm genoeg is. De regio wordt daardoor financieel bestraft voor een papieren welvaart die na één ramp kan verdwijnen.
Klimaatrechtvaardigheid vormt om die reden een centraal onderdeel van de oproep van de Britse Maagdeneilanden, omdat Caribische staten slechts een klein aandeel hebben in de mondiale uitstoot maar onevenredig veel moeten investeren in zeeweringen, sterkere scholen, waterbeheer, noodvoorzieningen en herstel na extreem weer. De landen worden gevraagd schulden aan te gaan om zich te beschermen tegen een crisis die hoofdzakelijk door grotere economieën is veroorzaakt, waarna hun hoge schuldenlast vervolgens wordt gebruikt als reden om nieuwe financiering duurder te maken. Deze vicieuze cirkel verandert klimaatverandering in een permanent financieel afromingssysteem waarbij kwetsbare landen rente betalen om hun eigen voortbestaan te beschermen.
Partnerschappen met landen uit het mondiale Zuiden kunnen een deel van deze afhankelijkheid verminderen, omdat verschillende economieën ervaring hebben met vraagstukken die sterk lijken op de problemen van het Caribisch gebied. Aziatische landen beschikken over kennis van rampenwaarschuwing, digitale infrastructuur en betaalbare productie, Afrikaanse staten ontwikkelen oplossingen voor voedselzekerheid, mobiele financiële dienstverlening en decentrale energie, terwijl Latijns Amerikaanse landen expertise bezitten op het gebied van landbouw, bosbeheer, gezondheidszorg en regionale ontwikkelingsbanken. Het Midden Oosten kan kapitaal en energiekennis leveren, maar dergelijke samenwerking krijgt pas betekenis wanneer projecten aansluiten op nationale ontwikkelingsplannen en niet uitsluitend worden ontworpen rond de commerciële of geopolitieke belangen van de financier.
Het mondiale Zuiden is namelijk geen liefdadige familie waarin alle staten automatisch dezelfde belangen delen, omdat ook deze partners toegang zoeken tot havens, grondstoffen, stemgedrag binnen internationale instellingen en winstgevende investeringen. Een lening uit een niet Westers land blijft een schuld, een buitenlandse onderneming blijft gericht op rendement en technologieoverdracht vindt niet vanzelf plaats omdat de leverancier uit een ontwikkelingsland komt. Caribische regeringen moeten daarom dezelfde eisen stellen aan ieder partnerschap, ongeacht of het uit Washington, Brussel, Beijing, New Delhi, Brasília of een Golfstaat afkomstig is. Transparante aanbestedingen, lokale deelname, kennisoverdracht, schuldhoudbaarheid en bescherming van nationale hulpbronnen mogen niet worden opgeofferd aan politieke sympathie voor een nieuw machtsblok.
De positie van de Britse Maagdeneilanden maakt deze oproep extra opvallend, omdat het gebied constitutioneel verbonden blijft aan het Verenigd Koninkrijk maar tegelijkertijd erkent dat de ontwikkelingsbelangen van het Caribisch gebied niet volledig door traditionele relaties kunnen worden beschermd. Deze tegenstelling laat zien dat politieke verbondenheid met een grote mogendheid geen automatische garantie biedt tegen mondiale economische schokken of beperkte toegang tot ontwikkelingsfinanciering. Kleine gebieden kunnen administratief onder een invloedrijke staat vallen en toch geconfronteerd blijven met dezelfde hoge transportkosten, klimaatgevaren en economische beperkingen als onafhankelijke eilandstaten.
Nieuwe internationale verbindingen zullen de regio echter niet redden wanneer CARICOM zelf verdeeld en inefficiënt blijft functioneren. Landen kunnen samenwerking zoeken met Afrika, Azië en Latijns Amerika, maar verliezen hun onderhandelingsmacht zolang zij afzonderlijk kleine projecten inkopen, verschillende technische normen hanteren en elkaar met handelsbarrières en trage douaneprocedures blijven hinderen. Een externe partner zal altijd sterker staan wanneer Caribische staten ieder apart onderhandelen over energie, voedsel, infrastructuur en digitale systemen. Regionale inkoop, gemeenschappelijke projectontwikkeling en gezamenlijke diplomatie kunnen het verschil maken tussen een gelijkwaardig partnerschap en een reeks afzonderlijke contracten waarin ieder klein land de voorwaarden van de leverancier moet accepteren.
Een geloofwaardig samenwerkingskader vraagt daarom om een regionale lijst van projecten die technisch zijn voorbereid, financieel zijn doorgerekend en aansluiten bij gezamenlijke prioriteiten. Hernieuwbare energie, zeevervoer, voedselproductie, waterzekerheid, digitale infrastructuur, gezondheidszorg en klimaatbestendige bouw behoren niet opnieuw in losse verklaringen te verdwijnen, maar moeten worden gekoppeld aan verantwoordelijke instellingen, financieringsbronnen en uitvoeringsdata. Landen uit het mondiale Zuiden kunnen pas gericht bijdragen wanneer het Caribisch gebied duidelijk maakt welke projecten gereed zijn, welke kennis ontbreekt en welke resultaten binnen een vastgestelde periode moeten worden geleverd.
De naderende periode na 2030 maakt deze discussie urgenter, omdat de wereld niet eindeloos kan blijven vergaderen over ontwikkelingsdoelen waarvan de uitvoering telkens wordt uitgesteld door nieuwe crises. Samenwerking tussen zuidelijke landen moet daarom een vaste plaats krijgen in het internationale raamwerk dat na de huidige duurzame ontwikkelingsagenda ontstaat. Het Caribisch gebied kan daarbij eisen dat kwetsbaarheid, klimaatschade en economische schaal zwaarder wegen dan gemiddeld inkomen, zodat kleine staten niet langer buiten financiering vallen omdat hun statistieken de werkelijkheid onvoldoende weergeven.
Suriname beschikt over voedsel, zoet water, bos, energie en toekomstige olie inkomsten die het land tot een belangrijke partner binnen zulke zuidelijke samenwerkingsnetwerken kunnen maken, maar alleen wanneer grondstoffen worden verbonden aan verwerking, technologie, onderzoek en regionale productie. De beleidmakers kunnen kennis en financiering zoeken in Brazilië, India, Indonesië, Afrika en het Midden Oosten, maar moet vermijden dat nieuwe relaties opnieuw eindigen bij de uitvoer van ruwe producten en de invoer van dure eindgoederen. Een nationale ontwikkelingsstrategie, professionele projectvoorbereiding en harde afspraken over lokale inhoud kunnen ervoor zorgen dat samenwerking leidt tot economische verbreding in plaats van een nieuwe vorm van afhankelijkheid met andere vlaggen.
De oproep vanuit de Britse Maagdeneilanden is daarom minder een uitnodiging tot diplomatieke vriendschap dan een alarm over de kwetsbaarheid van een regio die te vaak wacht tot buitenlandse machten bepalen hoeveel steun beschikbaar komt en onder welke voorwaarden. Het Caribisch gebied heeft partners nodig, maar moet eerst leren gezamenlijk te onderhandelen, zorgvuldig te kiezen en consequent uit te voeren. Kleinheid wordt pas werkelijk gevaarlijk wanneer landen hun krachten blijven versnipperen, want een regio die samen technologie, kapitaal en markten organiseert hoeft niet machteloos te blijven in een wereld die steeds minder rekening houdt met staten die alleen aan tafel verschijnen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com