De start van vier gesubsidieerde vaktrainingen in Bernarddorp, Para, wordt door de overheid gepresenteerd als een belangrijke stap richting economische zelfstandigheid van kwetsbare groepen. Met trainingen in textiele werkvormen, elektro huisinstallatie, GaWaSa en het werken met Windows, Word en PowerPoint krijgen tientallen inwoners de mogelijkheid om gedurende vier maanden kosteloos kennis en vaardigheden op te doen. Dat klinkt positief en dat is het ook. Maar wie verder kijkt dan de feestelijke startmomenten en motiverende toespraken, ziet dat een vaktraining op zichzelf nog geen werk, inkomen of economische zelfstandigheid oplevert. In totaal hebben 78 personen zich ingeschreven. Voor hen is de kosteloze opleiding zonder twijfel een waardevolle kans. De overheid neemt de kosten voor de trainingen en het lesmateriaal voor haar rekening, terwijl de Stichting Arbeidsmobilisatie en Ontwikkeling (SAO) de opleidingen uitvoert. De Stichting Educatief Centrum Wit Santi heeft gezorgd voor de werving en mobilisatie. Het initiatief verdient daarom erkenning. Maar erkenning mag niet betekenen dat kritische beoordeling achterwege blijft.
De onderminister van Volksgezondheid, Welzijn en Arbeid, dr. Raj Jadnanansing, heeft terecht benadrukt dat deelnemers niet moeten wachten tot na afloop van de opleiding om na te denken over wat zij met hun vaardigheden gaan doen. Het doel moet volgens hem niet slechts een certificaat zijn, maar het vermogen om daadwerkelijk inkomsten te genereren. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Tegelijkertijd legt deze oproep ook een grote verantwoordelijkheid bloot, als de overheid werkelijk economische zelfstandigheid nastreeft, moet zij meer bieden dan vier maanden training. Iemand die wordt opgeleid tot elektricien, loodgieter of textielwerker heeft pas iets aan die opleiding wanneer er daarna voldoende opdrachten, klanten, toegang tot financiering, gereedschappen, begeleiding en markten zijn. Ook iemand die leert werken met Windows, Word en PowerPoint beschikt na vier maanden over een nuttige vaardigheid, maar daarmee is nog geen baan gegarandeerd. De kloof tussen opleiding en daadwerkelijke werkgelegenheid blijft een van de grootste zwakke plekken van veel werkgelegenheidsprogramma’s. Het risico bestaat dat de overheid succes gaat meten aan het aantal trainingen, het aantal deelnemers en het aantal uitgereikte certificaten.
Dat zijn gemakkelijke cijfers. Veel moeilijker, maar veel belangrijker, is vaststellen hoeveel deelnemers zes maanden of een jaar later daadwerkelijk inkomen verdienen dankzij de opleiding. Als het project ‘Wroko Foe Mek Moni’ serieus bedoeld is als instrument voor economische zelfredzaamheid, dan moet begeleiding na de opleiding geen vrijblijvende toevoeging zijn, maar een essentieel onderdeel van het programma. De aangekondigde ondersteuning op het gebied van ondernemerschap, coöperatieve samenwerking en het opzetten van economische activiteiten is daarom cruciaal. Maar ook hier geldt, mooie plannen zijn onvoldoende. De deelnemers hebben concrete begeleiding nodig bij registratie, administratie, prijsbepaling, marketing, toegang tot financiering, gezamenlijke inkoop en het vinden van afzetmarkten. De oproep om in coöperatief verband te gaan werken klinkt aantrekkelijk, maar samenwerking ontstaat niet automatisch omdat een overheidsfunctionaris daartoe oproept. Mensen moeten leren hoe zij gezamenlijk een onderneming kunnen organiseren, hoe verantwoordelijkheden worden verdeeld en hoe inkomsten en kosten worden beheerd. Zonder die ondersteuning kan een coöperatief initiatief net zo snel stranden als een individueel bedrijf.
Ook de keuze om de trainingen naar verschillende gebieden te brengen verdient aandacht. De mobiliteit van de SAO kan ervoor zorgen dat mensen buiten Paramaribo toegang krijgen tot opleidingen die anders moeilijk bereikbaar zijn. Dat is noodzakelijk. Ontwikkeling mag niet beperkt blijven tot de hoofdstad. Maar decentralisatie heeft pas werkelijk betekenis als de opleidingen aansluiten op de economische realiteit van het gebied. De aangekondigde training in het vervaardigen van Inheemse klederdracht is daarvan een interessant voorbeeld. In combinatie met het toerisme in Para kan traditionele kennis worden omgezet in economische activiteit. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat cultuur slechts wordt behandeld als een product dat snel op de markt kan worden gebracht. Het behoud van traditionele kennis vraagt respect, overdracht en betrokkenheid van de gemeenschap zelf. De boodschap vanuit Bernarddorp is uiteindelijk simpel, de training is het begin, niet het eindpunt. De overheid heeft terecht geïnvesteerd in de 78 deelnemers.
Nu moet zij ook bereid zijn om de resultaten kritisch te volgen. Hoeveel deelnemers vinden werk? Hoeveel starten daadwerkelijk een onderneming? Hoeveel genereren na een jaar een stabiel inkomen? Hoeveel vallen alsnog uit omdat zij geen toegang hebben tot kapitaal, apparatuur of klanten? Zonder antwoorden op die praktische meetpunten dreigt ‘Wroko Foe Mek Moni’ te blijven steken in een reeks goedbedoelde trainingen. Bernarddorp heeft geen behoefte aan nog een ceremonieel moment waarop wordt verteld dat er kansen zijn. De inwoners hebben behoefte aan een traject dat hen daadwerkelijk in staat stelt die kansen om te zetten in inkomen. De overheid heeft nu de gelegenheid om dat verschil te maken. Niet met toespraken, certificaten en mooie cijfers, maar met aantoonbare resultaten. Want uiteindelijk moet niet de training centraal staan, maar wat er daarna gebeurt. Daar wordt bepaald of ‘Wroko Foe Mek Moni’ werkelijk werk maakt van economische zelfstandigheid of slechts opnieuw een overheidsprogramma wordt dat vooral succesvol lijkt op papier.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com