De energietransitie binnen de snel groeiende BRICS economieën dreigt een sociale breuklijn te creëren wanneer regeringen miljarden investeren in zonnepanelen, windparken en klimaatdoelstellingen, maar elektriciteitsnetten, betaalbaarheid en bescherming van arme huishoudens niet met dezelfde snelheid verbeteren. Een nieuwe analyse van tien BRICS landen laat zien dat een groter aandeel hernieuwbare energie tussen 2000 en 2023 statistisch samenhing met een lagere toegang tot elektriciteit, waarmee een ongemakkelijke waarheid zichtbaar wordt. Een elektriciteitssysteem kan op papier schoner worden en tegelijkertijd voor de kwetsbaarste burger duurder, instabieler of zelfs onbereikbaar blijven.
De onderzoekers bestudeerden Brazilië, Rusland, India, China, Zuid Afrika, Egypte, Ethiopië, Indonesië, Iran en de Verenigde Arabische Emiraten en gebruikten verschillende econometrische methoden om te voorkomen dat de conclusie op één berekening rustte. In het basismodel ging een stijging van één procent in de gebruikte indicator voor energietransitie samen met een daling van ongeveer 0,63 procent in de toegang tot elektriciteit. Twee aanvullende berekeningen kwamen uit op dalingen van respectievelijk ongeveer 0,52 en 0,69 procent, waardoor de negatieve relatie in meerdere modellen overeind bleef.
Die uitkomst bewijst niet dat zonnepanelen mensen van het elektriciteitsnet verwijderen of dat windenergie automatisch armoede veroorzaakt. De cijfers tonen een samenhang tussen ontwikkelingen op nationaal niveau en geen rechtstreeks oorzakelijk bewijs op het niveau van individuele huishoudens. Landen kunnen juist meer hernieuwbare energie invoeren omdat hun bestaande elektriciteitssysteem duur, vervuilend en ontoereikend is, waardoor de overgang plaatsvindt in economieën die al met grote toegangsproblemen kampen. Slecht bestuur, hoge financieringskosten, zwakke netwerken en onvoldoende publieke investeringen kunnen daardoor tegelijk de energietransitie versnellen en de toegang tot elektriciteit beperken.
De gekozen maatstaf voor energiearmoede vraagt eveneens voorzichtigheid, omdat de analyse hoofdzakelijk kijkt naar het percentage inwoners met toegang tot elektriciteit. Een aansluiting vertelt nog niet hoeveel uren per dag stroom beschikbaar is, hoeveel een gezin ervoor betaalt, hoe vaak het netwerk uitvalt en of voldoende vermogen beschikbaar is om te koken, koelen, produceren of studeren. Een huishouden dat officieel op het net is aangesloten maar de rekening niet kan betalen of dagelijks langdurige stroomonderbrekingen ervaart, verdwijnt statistisch uit de energiearmoede zonder dat zijn werkelijke situatie wezenlijk is verbeterd. De auteurs erkennen daarom dat hun uitkomsten betrekking hebben op de toegangsdimensie en niet op de volledige werkelijkheid van betaalbaarheid, betrouwbaarheid, kwaliteit en schoon koken.
De grote verschillen tussen de onderzochte landen maken een algemene BRICS conclusie nog ingewikkelder. Rusland, China, Brazilië en de Verenigde Arabische Emiraten beschikken over vrijwel universele elektriciteitstoegang en relatief volwassen nationale netwerken, terwijl Ethiopië nog miljoenen inwoners zonder aansluiting telt en Zuid Afrika ondanks brede aansluiting met storingen, hoge tarieven en beperkte betrouwbaarheid worstelt. Hetzelfde percentage extra hernieuwbare energie kan in het ene land een kolencentrale vervangen en in het andere land een afgelegen dorp voor het eerst van stroom voorzien. Het samenvoegen van zulke uiteenlopende systemen levert een belangrijk regionaal signaal op, maar geen beleidsrecept dat zonder aanpassing in ieder land kan worden toegepast.
Het echte gevaar ontstaat wanneer regeringen nieuwe productiecapaciteit financieren maar het netwerk verwaarlozen dat die elektriciteit bij burgers en bedrijven moet afleveren. Een zonnepark kan honderden megawatts produceren, alleen heeft die capaciteit weinig maatschappelijke betekenis wanneer transmissielijnen ontbreken, verdeelstations overbelast zijn en arme wijken niet op het netwerk worden aangesloten. De energietransitie bestaat daarom niet uitsluitend uit het vervangen van kolen, olie en gas, maar uit een volledige herbouw van productie, transmissie, distributie, opslag, marktregels en consumentenbescherming.
Zonnepanelen en windturbines worden steeds goedkoper, maar moderne energiesystemen vragen grote investeringen voordat de eerste kilowattuur wordt verkocht. Projectontwikkelaars moeten grond, apparatuur, netaansluitingen en financiering vooraf betalen, waarna de opbrengsten pas gedurende tientallen jaren binnenkomen. De rente die voor zulke investeringen wordt gevraagd, ligt in opkomende economieën soms vele malen hoger dan in Europa of Noord Amerika, waardoor een technisch goedkoop zonneproject uiteindelijk dure elektriciteit kan opleveren. De energietransitie wordt daardoor niet alleen bepaald door zon en wind, maar ook door kredietbeoordelingen, wisselkoersen, overheidsgaranties en de winstmarges van financiers.
Een regering kan de financieringskosten vervolgens via de elektriciteitsrekening bij huishoudens leggen, waardoor de armste burger meebetaalt aan investeringen waarvan hij mogelijk pas jaren later profiteert. Hogere netwerktarieven, belastingen en aansluitkosten kunnen gezinnen dwingen minder stroom te gebruiken, rekeningen onbetaald te laten of opnieuw houtskool, kerosine en brandhout te gebruiken. Een klimaatbeleid dat de uitstoot verlaagt maar huishoudens terugstuurt naar vervuilende kookbrandstoffen is ecologisch en sociaal tegenstrijdig.
De mondiale energietransitie laat al zien dat productie sneller groeit dan gelijkwaardige toegang. Hernieuwbare bronnen leveren inmiddels meer dan dertig procent van de wereldwijde elektriciteit, maar ongeveer 655 miljoen mensen beschikken nog altijd niet over stroom en twee miljard mensen koken met vervuilende brandstoffen en technieken. Meer dan 560 miljoen mensen zonder elektriciteit wonen in Afrika ten zuiden van de Sahara, terwijl de achterstand onder plattelandsbewoners daar verder is gegroeid. Het probleem bestaat dus niet uit een wereldwijd gebrek aan technische kennis, maar uit een verdeling van investeringen waarbij winstgevende markten veel sneller worden bediend dan arme en afgelegen gemeenschappen.
De financieringsstructuur versterkt die ongelijkheid, omdat ongeveer tachtig procent van de internationale publieke klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden in 2024 uit leningen bestond. Landen die al zwaar in de schulden zitten, moeten daardoor nog meer lenen om hun elektriciteitssysteem te vergroenen, waarna rente en aflossing via belastingen, tarieven of lagere publieke uitgaven worden terugbetaald. Slechts een beperkt gedeelte wordt als subsidie verstrekt, waardoor de landen met de grootste energiearmoede vaak de duurste rekening krijgen voor een mondiale klimaatcrisis waaraan zij historisch het minst hebben bijgedragen.
De negatieve uitkomsten bij de laagste statistische groepen zijn daarom bijzonder zorgwekkend. De analyse laat zien dat landen of bevolkingscontexten met de zwakste elektriciteitstoegang sterker aan de nadelige overgangseffecten worden blootgesteld. Rijke huishoudens kunnen een hogere rekening betalen, zonnepanelen op hun dak installeren, een batterij aanschaffen of tijdens storingen een generator gebruiken. Arme gezinnen beschikken niet over dergelijke uitwijkmogelijkheden en worden als eerste afgesloten wanneer tarieven stijgen, verbindingen uitvallen of aansluitkosten onbetaalbaar blijven.
Een rechtvaardige energietransitie vraagt daarom om een gegarandeerde minimale hoeveelheid betaalbare elektriciteit voor ieder huishouden. Een sociaal basistarief kan de eerste hoeveelheid stroom tegen een laag bedrag aanbieden, waarna groter verbruik tegen hogere commerciële tarieven wordt afgerekend. Steun moet gericht terechtkomen bij kwetsbare gezinnen en niet verdwijnen in algemene subsidies waarvan grote woningen, winkelcentra en energie intensieve ondernemingen eveneens profiteren. Een subsidie die iedere kilowattuur goedkoper maakt, kost de staat veel geld en beloont vaak degene die het meest verbruikt.
Algemene prijsverlagingen kunnen daarnaast de financiële positie van elektriciteitsbedrijven uithollen, waardoor zij onvoldoende geld overhouden voor onderhoud, nieuwe aansluitingen en netversterking. De regering houdt de rekening dan politiek laag, maar bouwt tegelijk een technisch tekort op dat later zichtbaar wordt in storingen, versleten centrales en noodleningen. Betaalbaarheid kan daarom niet duurzaam worden bereikt door de werkelijke kosten permanent te verbergen. Inkomenssteun, efficiëntie en gerichte tarieven zijn effectiever dan een systeem waarin het energiebedrijf verlies maakt en de belastingbetaler het verschil achteraf moet aanvullen.
Gedecentraliseerde energie kan een deel van deze tegenstelling doorbreken, vooral in landelijke en afgelegen gebieden waar uitbreiding van het nationale netwerk jarenlang duurt of buitensporig duur is. Zonnepanelen voor huishoudens, lokale mininetten en batterijsystemen kunnen sneller stroom leveren aan dorpen, scholen, klinieken en kleine ondernemingen. Nieuwe regionale programma’s gebruiken dergelijke systemen al om gemeenschappen te bereiken die met traditionele hoogspanningslijnen nauwelijks rendabel kunnen worden aangesloten.
Lokale productie betekent echter niet automatisch betrouwbare dienstverlening. Batterijen moeten worden vervangen, omvormers raken defect, onderdelen moeten worden geïmporteerd en technici moeten beschikbaar blijven nadat het ontwikkelingsproject is afgesloten. Gemeenschappen hebben weinig aan een feestelijke installatie wanneer het systeem twee jaar later buiten werking raakt en niemand verantwoordelijk is voor onderhoud. Iedere investering moet daarom een langetermijnmodel bevatten voor tarieven, reserveonderdelen, opleiding, eigendom en herstel.
De energietransitie creëert eveneens druk op de arbeidsmarkt. Kolencentrales, oliebedrijven en traditionele energieprojecten bieden vaak goedbetaalde banen, belastinginkomsten en economische activiteit in specifieke regio’s. Een windpark of zonnecentrale kan tijdens de bouw duizenden werknemers nodig hebben maar daarna met een relatief klein team functioneren. Regeringen die fossiele activiteiten afbouwen zonder werknemers op te leiden, nieuwe industrie te ontwikkelen en lokale ondernemingen toegang tot opdrachten te geven, kunnen een schoner energiesysteem bouwen en tegelijkertijd complete gemeenschappen economisch verarmen.
De beloofde groene banen ontstaan alleen wanneer landen meer doen dan apparatuur importeren en buitenlandse ondernemingen contracten laten uitvoeren. Productie van zonnepanelen, kabels, batterijen, transformatoren en digitale controlesystemen moet zoveel mogelijk binnen de eigen economie worden ontwikkeld. Technische opleidingen moeten aansluiten op de nieuwe energiearchitectuur en werknemers uit verdwijnende sectoren moeten vroeg worden voorbereid op andere functies. Een transitie waarbij de vervuiling verdwijnt maar alle technologie en winst worden geïmporteerd, vervangt energieafhankelijkheid door industriële afhankelijkheid.
Economische groei biedt evenmin automatische bescherming. Het basismodel vond een negatieve samenhang tussen groei, verstedelijking en elektriciteitstoegang, wat erop kan wijzen dat nieuwe woonwijken, fabrieken en commerciële centra sneller ontstaan dan netwerken kunnen worden uitgebreid. De aanvullende berekeningen laten een genuanceerder beeld zien, omdat verstedelijking in verschillende delen van de verdeling juist positief samenhing met toegang en economische groei in de meeste groepen verbetering bracht. Groei kan dus zowel elektrificatie financieren als bestaande netwerken overbelasten, afhankelijk van de snelheid waarmee publieke infrastructuur en ruimtelijke planning worden aangepast.
Een stad die ieder jaar honderdduizenden nieuwe inwoners ontvangt, heeft niet alleen extra productiecapaciteit nodig maar ook onderstations, kabels, transformatoren, meters en betaalbare aansluitingen. Ongeplande wijken worden vaak als laatste aangesloten en betalen soms meer voor informele, onveilige verbindingen dan rijke huishoudens voor betrouwbare stroom. Verstedelijking kan daardoor statistisch economische groei opleveren en tegelijk een nieuwe stedelijke energiearmoede creëren die achter nationale gemiddelden verborgen blijft.
Opslag en flexibiliteit worden eveneens steeds belangrijker naarmate zon en wind een groter aandeel van de productie innemen. Elektriciteit moet exact op het moment van gebruik beschikbaar zijn, maar zonnepanelen produceren vooral overdag en windparken zijn afhankelijk van weersomstandigheden. Zonder batterijen, waterkracht, regionale verbindingen, flexibele centrales en vraagsturing kan een land op zonnige momenten elektriciteit verspillen en enkele uren later toch tekorten ervaren. De kosten van deze ondersteunende infrastructuur moeten vanaf het begin in de energietransitie worden meegerekend en niet pas nadat het netwerk instabiel wordt.
Energie efficiëntie vormt de goedkoopste bescherming tegen stijgende rekeningen, omdat een huishouden met zuinige verlichting, koeling en apparatuur minder elektriciteit nodig heeft voor dezelfde levenskwaliteit. Arme gezinnen wonen echter vaker in slecht geïsoleerde huizen en gebruiken oude apparaten die goedkoop waren bij aankoop maar duur zijn in dagelijks verbruik. Subsidies voor efficiënte koelkasten, ventilatie, verlichting en bedrijfsapparatuur kunnen daardoor zowel het netwerk ontlasten als de koopkracht verbeteren. Efficiëntie is geen luxe voor rijke klimaathuishoudens, maar een sociale maatregel die structureel meer oplevert dan iedere maand een deel van een te hoge rekening vergoeden.
Transparante regelgeving bepaalt uiteindelijk wie de kosten en opbrengsten draagt. Energiecontracten hebben vaak een looptijd van tientallen jaren en leggen vooraf vast hoeveel de staat betaalt, welke wisselkoersrisico’s worden doorgerekend en wie verantwoordelijk is wanneer productie of netwerkcapaciteit achterblijft. Slecht onderhandelde overeenkomsten kunnen burgers jarenlang verplichten hoge tarieven te betalen, zelfs wanneer de prijs van dezelfde technologie later sterk daalt. Onafhankelijke toezichthouders moeten daarom contracten, investeringen en tariefberekeningen kunnen onderzoeken zonder politieke druk of commerciële geheimhouding als permanent excuus.
De studie verdient aandacht omdat zij de comfortabele gedachte doorbreekt dat iedere stijging van hernieuwbare energie automatisch sociaal vooruitgang betekent, maar haar uitkomsten mogen evenmin worden misbruikt om langer vast te houden aan kolen, olie en gas. Fossiele brandstoffen hebben huishoudens eveneens blootgesteld aan prijsschokken, luchtvervuiling, importafhankelijkheid en klimaatrisico’s. Een goed ontworpen overgang naar binnenlandse hernieuwbare energie kan de kosten op lange termijn juist verlagen en economieën beter beschermen tegen internationale verstoringen. De werkelijke keuze ligt daarom niet tussen fossiele zekerheid en groene armoede, maar tussen een professioneel geplande overgang en een haastige verandering waarbij de burger alle fouten betaalt.
BRICS samenwerking kan helpen door gezamenlijke financiering, technologieoverdracht, regionale elektriciteitsverbindingen en productie van apparatuur te stimuleren. Het blok bevat landen met geavanceerde nucleaire, zonne, wind, waterkracht en batterijtechnologie, maar ook economieën waar miljoenen mensen nog onvoldoende toegang tot moderne energie hebben. Samenwerking krijgt pas sociale betekenis wanneer kennis en betaalbare technologie niet uitsluitend naar grote stedelijke projecten gaan, maar ook worden gebruikt om landelijke netwerken, schoon koken, opslag en lokale ondernemingen te ondersteunen.
Voor Suriname is deze discussie bijzonder actueel, omdat olie inkomsten, waterkracht, zonne energie en mogelijke gasontwikkeling de komende jaren verschillende investeringsrichtingen zullen openen. Het land moet voorkomen dat nieuwe hernieuwbare projecten naast een zwak elektriciteitsnet worden gebouwd, waarna huishoudens alsnog met storingen, hoge tarieven en subsidies worden geconfronteerd. Districtsgerichte toegangsplannen, transparante productiecontracten, een sociaal basistarief, opslag, netwerkmodernisering en opleiding van lokale technici moeten onderdeel zijn van dezelfde strategie. Een energietransitie die alleen opwekt maar niet betrouwbaar levert, lost geen energieprobleem op en verplaatst de tekortkoming slechts van de centrale naar het stopcontact.
De race naar schone energie zal uiteindelijk niet worden gewonnen door het land met de meeste zonnepanelen of de grootste windparken, maar door de samenleving die uitstoot verlaagt zonder haar armste burgers van betrouwbare energie uit te sluiten. BRICS kan een technologisch tegengewicht in de wereldorde worden, maar verliest zijn ontwikkelingsbelofte wanneer de arbeider de hogere rekening betaalt, het afgelegen dorp ongeëlektrificeerd blijft en grote ondernemingen de subsidies en contracten ontvangen. Een elektriciteitssysteem is pas werkelijk modern wanneer de energie niet alleen schoon wordt geproduceerd, maar ook betaalbaar, betrouwbaar en rechtvaardig bij ieder huishouden aankomt.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com