De kwestie rond bevorderingen bij de Beveiligings en Bijstandsdienst Suriname is nu officieel op het bord van het Openbaar Ministerie terechtgekomen, omdat VHP parlementariër Asiskumar Gajadien de procureur generaal in een brief heeft gevraagd een strafrechtelijk onderzoek te starten naar mogelijke misstanden binnen de dienst. Hij stelt dat er serieuze signalen zijn dat bevorderingen in strijd met de wet zijn doorgevoerd, dat besluiten onbevoegd zijn genomen en dat er aanwijzingen zijn voor corruptie die niet langer intern kan worden genegeerd.
Aanleiding voor zijn stap is een uitgebreid schrijven van drie beveiligingsinspecteurs eerste klasse, die al maanden vergeefs proberen gehoor te krijgen bij de bevoegde autoriteiten. Volgens hen loopt de interne weg bij de dienst en het ministerie dood, verzoeken om onderzoek blijven onbeantwoord en zelfs het doen van aangifte werd tegengehouden met het argument dat de zaak al bij de minister in behandeling zou zijn. Dat beeld van dichtgetimmerde deuren was voor Gajadien reden om de procureur generaal rechtstreeks te benaderen, omdat hij van mening is dat werknemers die op onregelmatigheden wijzen niet in een bureaucratisch vacuüm mogen belanden.
In de stukken die de parlementariër ontving, beschrijven de inspecteurs hoe twee functionarissen zijn doorgeschoven naar een hogere rang zonder de verplichte loopbaanstappen via de lagere rangen te hebben doorlopen. Zij verwijzen naar het Reglement BBS waar de carrièrelijn en de volgorde van bevorderingen nauwkeurig zijn vastgelegd en stellen dat deze voorschriften bij de recente beschikkingen eenvoudig terzijde zijn geschoven. Daarmee gaat het volgens hen niet om een interne voorkeur of een misverstand, maar om beslissingen die botsen met een duidelijke wettelijke basis.
Daar komt bij dat de gewraakte bevorderingen volgens de klagers niet zijn voorzien van het voorgeschreven oordeel van de president van de republiek. In de lezing van Gajadien wijst dat erop dat de besluiten door personen of organen zijn genomen die daar geen bevoegdheid voor hebben, wat de ernst van de zaak verder vergroot. In zijn brief vraagt hij de procureur generaal daarom expliciet om na te gaan hoe de betrokken beschikkingen tot stand zijn gekomen en welke functies en handtekeningen in het besluitvormingsproces een rol hebben gespeeld.
Een extra laag in het dossier is de mogelijke toetsing aan de Anti Corruptiewet. De inspecteurs signaleren in hun schrijven dat er aanwijzingen zijn voor onrechtmatige bevoordeling, oneigenlijk gebruik van staatsmiddelen en belangenverstrengeling. Gajadien neemt deze elementen over in zijn verzoek en vraagt het OM om te onderzoeken of de gedragingen van betrokkenen vallen onder de strafbepalingen voor corruptieve handelingen. Daarmee schuift het debat weg van louter arbeidsrechtelijke of disciplinaire kwesties naar een mogelijke strafrechtelijke beoordeling van het handelen binnen de dienst.
Volgens de betrokken BBS functionarissen is de interne route intussen volledig vastgelopen. Zij stellen dat het ministerie van Justitie en Politie niet heeft gereageerd op herhaalde verzoeken om de zaak te laten onderzoeken en dat hun poging om formeel aangifte te doen is geblokkeerd met een verwijzing naar een vermeende behandeling op ministerieel niveau. Uit de overgelegde correspondentie zou blijken dat de politieke leiding geen opdracht heeft gegeven tot een onafhankelijk onderzoek, waardoor de klachten in de praktijk zijn blijven liggen.
In zijn brief kwalificeert Gajadien het uitblijven van interne actie als een factor die de zaak een bijzonder ernstig karakter geeft. Een dienst die belast is met beveiliging en bijstand moet volgens hem boven elke verdenking van vriendjespolitiek en onrechtmatige bevoordeling staan, niet alleen op papier maar ook in de manier waarop personeelsbeslissingen worden voorbereid en gecontroleerd. Wanneer meldingen van mogelijke misstanden stelselmatig worden genegeerd, raakt dat volgens de parlementariër niet alleen de rechtspositie van individuele medewerkers, maar ook het vertrouwen in de integriteit van de overheid als geheel.
Daarom vraagt hij de procureur generaal om breed te kijken naar de gang van zaken rond de bewuste bevorderingen, te toetsen of wet en reglement zijn nageleefd, na te gaan of verzoeken om intern onderzoek bewust zijn tegengehouden en waar nodig maatregelen voor te bereiden. Zijn onderliggende boodschap is dat integriteit in de veiligheidskolom niet kan leunen op goede wil alleen en dat juist in gevoelige diensten een duidelijk signaal nodig is dat regels ook gelden wanneer het om benoemingen, loyaliteiten en machtsrelaties gaat.