In Brussel zet de Europese Commissie de deur naar een nieuwe industriële reflex op een kier. Dit doet zij, omdat zij met de Industrial Accelerator Act lokale inhoudseisen wil koppelen aan subsidies en overheidsinkoop. Het doel is een industrie die tegelijk vergroent en minder leunt op goedkope import, vooral uit China. Zo krijgt de Europese maakbasis weer gewicht in de economie. Volgens de ontwerpteksten moet de industrie tegen 2035 weer 20 procent van de Europese productie vertegenwoordigen. Momenteel ligt dat rond 14 procent.
De kern van het voorstel is dat publieke euro’s alleen nog echt hard werken wanneer ze ook Europese productie trekken. Dit gebeurt met low carbon en made in Europe voorwaarden voor sectoren zoals staal, aluminium en cement. Ook geldt het voor technologieën zoals windturbines en elektrische voertuigen. Critici zien daarin een glijbaan naar protectionisme en waarschuwen dat handelspartners de poort terug kunnen dichttrekken. Dit gebeurt precies op het moment dat Europa exportmarkten nodig heeft. Voorstanders wijzen erop dat concurrenten als de Verenigde Staten en China al langer met lokale inhoudsregels werken. Zij stellen dat Europa zonder zulke prikkels de investeringskloof in de energietransitie niet dicht krijgt.
De tekst is al meerdere keren uitgesteld en bijgeschaafd door ruzie over de reikwijdte. Daarom zijn zelfs deze week nog aanpassingen doorgevoerd. Een pijnpunt is de eis voor groen staal, omdat voorstellen voor hoge percentages zijn teruggeschaald. Industriepartijen klagen dat de vraagprikkel daarmee te zwak wordt om investeringen los te trekken. In de laatste concepten blijft wel een minimumaandeel voor laag koolstofstaal bij publieke aanbestedingen staan. De discussie verschuift echter naar de vraag wanneer de meetlat en definities definitief worden.
Het grootste politieke gevecht zit in de definitie van made in Europe. Sommige landen willen het label het liefst beperken tot de EU en enkele EER partners. Anderen willen een bredere kring die ook bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk kan omvatten. Ontwerpteksten verwijzen bovendien naar de mogelijkheid om landen mee te nemen waarmee de EU afspraken heeft over overheidsopdrachten, mits er wederkerigheid is. Dit maakt het dossier meteen tot een geopolitiek schaakbord. Tegelijk wordt gesproken over strengere screening van buitenlandse investeringen om betrokkenheid van EU bedrijven en technologieoverdracht af te dwingen. Zo blijft productie niet alleen op papier Europees.
Voor Suriname betekent dit dat de Europese markt harder gaat selecteren op herkomst, ketentransparantie en emissieprofiel. Zelfs als het precieze label later via andere wetgeving wordt ingevuld, verandert dit het speelveld. Wie in Suriname levert aan Europese projecten of Europese ketens wil binnenkomen, moet dus nu al kunnen aantonen waar inputs vandaan komen, hoe de productie is ingericht en welke data de footprint onderbouwen. Anders val je bij inkoop en financiering sneller buiten de boot. De kans is dat bedrijven die vroeg investeren in traceerbaarheid en compliance juist makkelijker aansluiten op Europese aanbestedingen. Dit komt doordat Brussel publieke vraag expliciet als hefboom inzet om leveranciers te sturen.
Volg de Facebookpagina en Youtube kanaal voor data, nieuws en inspiratie. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com