De Europese Unie draait haar ambitieuze duurzaamheidsagenda merkbaar terug nu twee belangrijke rapportagepakketten zijn afgezwakt en de verplichte routekaart naar een klimaatneutrale economie uit de wetstekst is verdwenen. Grote bedrijven krijgen minder strenge verplichtingen om over hun milieu, sociale en governanceprestaties te rapporteren en hoeven in veel gevallen geen geloofwaardig plan meer op tafel te leggen om hun uitstoot daadwerkelijk naar nul te brengen. Voor ondernemingen voelt dat als verlichting na jaren klagen over ingewikkelde formulieren en hoge nalevingskosten, maar beleggers zien tegelijk hoe het zicht op de echte koplopers in de energietransitie vervaagt. Waar eerder een stevige Europese rapportageplicht als wereldwijde maatstaf gold, ontstaat nu een lappendeken met meer gaten en minder houvast.
De aanpassingen raken vooral de regels die vastleggen welke grote bedrijven gedetailleerd moeten rapporteren over hun duurzaamheidsaanpak en welke verantwoordelijkheden zij hebben in hun toeleveringsketen. De drempels voor rapportage worden opgetrokken, financiële instellingen worden deels ontzien en de eis om een concreet transitieplan voor emissiereductie op te stellen is geschrapt, waardoor slechts een kleinere groep ondernemingen nog onder de strengste eisen valt. Beleggers die juist inzetten op fondsen met lage uitstootprofielen waarschuwen dat zij met minder vergelijkbare informatie moeten werken en vaker zelf de kwaliteit van beloften moeten natrekken. Wie wil weten welke bedrijven echt investeren in schonere productie en fatsoenlijke ketens en welke vooral mooie slogans voeren, zal meer eigen speurwerk moeten doen.
Voor landen als Suriname heeft deze Europese draai een dubbele lading omdat de EU tegelijk een belangrijke afzetmarkt en een normsteller voor duurzaam beleid blijft. Exporteurs van hout, agrarische producten en toekomstige energie of grondstoffen krijgen minder duidelijkheid over welke rapportages Europese afnemers straks echt nodig hebben om investerings of inkoopbeslissingen te nemen. Dat kan ertoe leiden dat kleinere Surinaamse bedrijven extra moeite moeten doen om hun eigen data en certificering op orde te brengen zodat zij toch aantoonbaar boven de ondergrens uitsteken. Wie nu kiest voor transparante ketens, geloofwaardige klimaatcijfers en degelijke controle, maakt zich juist aantrekkelijker in een markt waar het onderscheid tussen greenwashing en echte prestatie vager wordt.
Voor duurzaamheidsanalisten is vooral het verdwijnen van verplichte transitieplannen een gemis omdat die documenten tot nu toe hielpen om ambities, mijlpalen en investeringen naast elkaar te leggen. Zonder zo’n gemeenschappelijke basis wordt het moeilijker om de voortgang tussen bedrijven en sectoren te vergelijken, zowel qua klimaatrisico als qua kansen in nieuwe markten. Grote vermogensbeheerders waarschuwen dat zij voortaan scherper zelf zullen moeten toetsen of ondernemingen hun woorden ook omzetten in meetbare stappen omdat het juridische kader minder dwingend is. Dat kan ertoe leiden dat kapitaal selectiever wordt ingezet en dat ondernemingen met vaag beleid toch buiten de boot vallen, ondanks soepelere regels.
Tegenover de zorgen van beleggers staat een krachtige lobby van bedrijfsorganisaties die al langer klaagden over de stapel formulieren, audits en controles die uit Brussel kwam. Zij prijzen de nu gekozen koers als een eerste stap om de administratieve druk te verlagen en stellen dat bedrijven pas kunnen investeren in innovatie als zij niet worden verstikt door rapportageverplichtingen. Tegelijk erkennen veel branchevertegenwoordigers dat zelfs in versoberde vorm het Europese raamwerk nog altijd tot de strengste ter wereld behoort en voor veel bedrijven een forse uitdaging blijft. De vraag is nu of deze versoepeling de balans herstelt tussen haalbare regels en duidelijke informatie of juist een nieuwe periode inluidt waarin groen en grijs opnieuw moeilijk uit elkaar zijn te houden.