De juridische strijd van de achtergebleven mennonieten tegen hun uitzetting uit Suriname heeft een abrupt keerpunt bereikt. Zes personen die na de deportatie van het grootste deel van de groep in het land achterbleven, hebben hun verzet tegen uitzetting ingetrokken. Hun keuze om alsnog te vertrekken, maakt duidelijk dat de juridische procedure haar oorspronkelijke doel grotendeels heeft verloren: het voorkomen van verdere uitzettingen en het beschermen van de mogelijkheid om in Suriname te blijven. De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft dinsdag 3 november 2026 bij rolbeschikking vastgesteld dat de eisers hun vordering tot opschorting van de uitzetting hebben ingetrokken. De achtergebleven mennonieten hebben aangegeven eveneens het land te willen verlaten om zich bij hun eerder uitgezette gezinsleden te voegen. Daarmee is de juridische strijd tegen hun vertrek voorlopig beëindigd, zonder dat de rechter zich inhoudelijk heeft uitgesproken over de rechtmatigheid van de uitzettingen. De situatie veranderde nadat het grootste deel van de mennonieten afgelopen weekend uit Suriname was verwijderd. Zes personen, onder wie drie moeders met hun baby’s, verbleven nog op de opvanglocatie in Kraka.
Tijdens de zitting van 2 november werd afgesproken dat advocaat Derrick Veira zijn cliënten zou bezoeken om vast te stellen of zij de procedure wilden voortzetten. Uit de toelichting van de persrechter blijkt dat Veira zijn cliënten daadwerkelijk heeft gesproken. Vervolgens liet hij de rechtbank bij akte van uitlating weten dat de moeders geen belang meer hadden bij het tegenhouden van hun uitzetting. Zij kozen ervoor om eveneens op 3 november te vertrekken, met als doel hereniging met hun eerder uitgezette familieleden. Deze ontwikkeling onderstreept de menselijke gevolgen van de uitzettingsoperatie. Waar de procedure aanvankelijk draaide om het behoud van verblijfsmogelijkheden, is gezinshereniging nu de doorslaggevende factor geworden. Het juridische verzet heeft plaatsgemaakt voor een keuze die vooral wordt bepaald door de scheiding van gezinnen. Advocaat Veira had namens de betrokkenen geëist dat de Staat de uitzetting onmiddellijk zou opschorten. Ook verlangde hij dat zijn cliënten toegang kregen tot rechtsbijstand en dat hij hen juridisch kon bijstaan. Aan de gevraagde bevelen wilde hij een dwangsom van SRD 10 miljoen per dag verbinden. Daarnaast werd een vergoeding van SRD 150.000 voor zijn salaris als gemachtigde gevorderd, naast overige proceskosten.
Door de intrekking van de vorderingen tot opschorting en de daaraan gekoppelde dwangsommen heeft de rechter dinsdag geen inhoudelijke uitspraak gedaan over de juridische bezwaren tegen de uitzetting. De intrekking mag dan ook niet worden uitgelegd als een rechterlijke bevestiging dat het optreden van de Staat rechtmatig was. De resterende kwestie betreft voornamelijk de proceskosten. Daarover volgt maandag 9 november 2026 om 13.30 uur een einduitspraak. De mennonieten hadden in hun juridische argumentatie aangevoerd dat zij op uitnodiging van de Surinaamse overheid naar het land waren gekomen om landbouwactiviteiten te ontwikkelen. Volgens hun stellingen was eerder toestemming verleend voor de komst van vijftig gezinnen. Ook beweerden zij dat in 2024 aanvragen voor een machtiging tot kort verblijf (MKV) waren ingediend, waarop geen reactie was ontvangen. Hierdoor zouden zij niet in staat zijn geweest het verdere traject voor hun verblijfsdocumenten te doorlopen. Dat zij via de media vernamen dat hun aanvragen waren afgewezen, vormde volgens hen aanleiding om bij de president om herziening te verzoeken. De Staat bestreed deze redenering. Volgens het overheidsverweer biedt de Vreemdelingenwet niet de door de eisers aangevoerde mogelijkheid om herziening van het besluit te vragen.
Over deze tegenstrijdige standpunten heeft de kantonrechter zich in het tweede kort geding niet uitgesproken. Ook de nationaliteitskwestie rond de in Suriname geboren baby’s blijft onbeslist. De persrechter benadrukte dat de rolbeschikking geen oordeel bevat over hun nationaliteit. Die beoordeling moet afzonderlijk plaatsvinden op basis van de toepasselijke wetgeving en de individuele omstandigheden. De ingetrokken procedure volgde op een eerder kort geding van Suriname Green Energy Agriculture N.V. Op donderdag 29 oktober wees de kantonrechter de vorderingen af. Daarbij werd vastgesteld dat eerdere overheidstoezeggingen over medewerking aan het landbouwproject geen onvoorwaardelijk verblijfsrecht opleverden. Met de intrekking van het tweede kort geding is het belangrijkste doel van de procedure vervallen. De juridische vragen rond de oorspronkelijke uitzettingen blijven echter onbeantwoord. De uitspraak van 9 november zal vooral duidelijkheid geven over de resterende vorderingen en de proceskosten, maar vormt geen inhoudelijke beoordeling van alle bezwaren tegen het optreden van de Staat.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com