Het onderzoek naar de verdwenen hoeveelheid kwik binnen het Korps Politie Suriname (KPS) is nog gaande. Samen met het Openbaar Ministerie (OM) probeert de politie duidelijkheid te krijgen over wat er precies is gebeurd. Korpschef Melvin Pinas benadrukt dat de zaak niet in de doofpot zal verdwijnen. Maar juist die geruststelling maakt duidelijk hoe groot het wantrouwen inmiddels is geworden. In een goed functionerende rechtsstaat zou niemand hoeven te worden verzekerd dat een politieonderzoek niet wordt begraven. Transparantie en verantwoording zouden vanzelfsprekend moeten zijn. Pinas stelt dat het onderzoek samen met het OM wordt uitgevoerd en dat de politie instructies van het OM ontvangt. Over mogelijke verdachten of eventuele aanhoudingen blijft hij terughoudend. Dat is begrijpelijk zolang het onderzoek loopt, maar terughoudendheid mag geen excuus worden voor een gebrek aan publieke verantwoording. Kwik is geen onbeduidend materiaal dat zomaar uit een politiële omgeving kan verdwijnen zonder dat onmiddellijk vragen ontstaan over beveiliging, registratie, toezicht en interne controle.
De kern van de kwestie is daarom groter dan de verdwenen hoeveelheid kwik alleen. Het gaat om de betrouwbaarheid van de systemen binnen het politiekorps. Als materiaal dat onder verantwoordelijkheid van de overheid valt kan verdwijnen, moet worden vastgesteld waar de controle heeft gefaald. Wie had toezicht? Welke procedures waren van kracht? Werden die nageleefd? En wanneer werd vastgesteld dat er iets ontbrak? Zolang daarover geen helderheid bestaat, blijft niet alleen de zaak zelf hangen, maar ook de geloofwaardigheid van de organisatie. Daar komt de recente mishandeling van een politierekruut bij. Ook hierover heeft Pinas opdracht gegeven tot onderzoek. Hij zegt uitgebreid geïnformeerd te willen worden over wat zich precies heeft afgespeeld. Opnieuw klinkt daarmee een belofte van onderzoek en opvolging. Maar een professioneel politiekorps hoort niet uitsluitend achteraf te reageren wanneer incidenten de publiciteit halen. Preventie, toezicht en een cultuur waarin misstanden tijdig worden gemeld, moeten structureel worden georganiseerd.
Een politierekruut die tijdens zijn opleiding wordt mishandeld, raakt bovendien aan een veel fundamentelere kwestie. Een korps dat burgers moet beschermen tegen geweld, intimidatie en machtsmisbruik, kan zich intern geen cultuur van willekeur permitteren. Als grenzen binnen de eigen organisatie worden overschreden, moet niet alleen worden vastgesteld wie verantwoordelijk is, maar ook waarom het systeem dit mogelijk heeft gemaakt. Ook de verhouding tussen de korpsleiding en de Surinaamse Politiebond (SPB) verdient kritische aandacht. Pinas zegt verbaasd te zijn over de kritiek van bondsvoorzitter Revelino Eijk op de communicatie. Volgens de korpschef was er zowel voor als na de bondsverkiezingen regelmatig contact. Toch is het feit dat beide partijen elkaar publiekelijk tegenspreken op zichzelf al een alarmsignaal. Wanneer de leiding van een korps en de vertegenwoordiging van het personeel verschillende beelden hebben van de communicatie, is er kennelijk iets mis met het overlegmechanisme. De oplossing ligt niet in het uitwisselen van verwijten via de media, maar in duidelijke afspraken, vaste overlegstructuren en vooral de bereidheid om problemen daadwerkelijk aan te pakken.
Pinas heeft gelijk dat korpsleiding en politiebond uiteindelijk hetzelfde belang zouden moeten hebben, betere arbeidsomstandigheden en een professioneler politiekorps. Maar dat gezamenlijke belang krijgt pas betekenis wanneer het wordt vertaald naar concrete verbeteringen. Politiepersoneel heeft weinig aan goede bedoelingen als werkdruk, veiligheid, opleiding, materiaal en professionele begeleiding onvoldoende zijn geregeld. De bezoeken van Pinas aan politielocaties in verschillende districten kunnen positief zijn. Een korpschef die niet alleen achter een bureau zit, maar zelf ziet hoe agenten werken en luistert naar signalen uit de samenleving, kan problemen sneller herkennen. Tijdens deze bezoeken kwamen onder meer meldingen binnen over drugsgebruik onder jongeren en een gebrekkige zichtbaarheid van de politie. Dat zijn ernstige signalen. De aangekondigde maatregelen om de politieaanwezigheid in onder meer Flora en Nieuwe Grond te versterken, zijn daarom noodzakelijk.
Maar ook hier geldt, aanwezigheid alleen is geen beleid. Een politieauto die af en toe door een wijk rijdt, is nog geen structurele veiligheid. Burgers hebben behoefte aan een politieorganisatie die zichtbaar, bereikbaar, professioneel en consequent optreedt. De verschillende dossiers waarmee het KPS momenteel wordt geconfronteerd, vormen uiteindelijk één groter verhaal. De verdwenen kwikvoorraad, de mishandeling van een rekruut, spanningen met de politiebond en klachten over beperkte zichtbaarheid wijzen allemaal op dezelfde behoefte, meer controle, meer professionaliteit en meer transparantie. Het KPS kan zich niet veroorloven dat onderzoeken eindeloos voortduren zonder duidelijke uitkomsten. Onderzoek is noodzakelijk, maar onderzoek zonder zichtbare consequenties ondermijnt uiteindelijk het vertrouwen. Als Pinas werkelijk wil aantonen dat zaken niet worden toegedekt, zal dat niet gebeuren door verklaringen voor de camera, maar door resultaten. Een professioneel politiekorps wordt niet beoordeeld op de beloften van zijn leiding, maar op de manier waarop het met fouten, misstanden en verantwoordelijkheid omgaat. Precies daar ligt voor het KPS de grootste uitdaging.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com