Nu een groep Caribische landen werkt aan een gezamenlijke fondsenwerving van 200 miljoen dollar voor biodiversiteit, verschuift in de regio een oud frustratiepunt naar de voorgrond. Het gaat namelijk om de vraag wie eigenlijk bepaalt waar milieugeld naartoe gaat en welk resultaat het oplevert. Er werd al eerder gemeld dat op 12 maart dat de Organisatie van Oost Caribische Staten samen met haar twaalf leden via het OECS 30×30 programma meer invloed wil krijgen op internationaal gefinancierde natuurprojecten. Dit is omdat donorlogica in het verleden te vaak zwaarder woog dan nationale of regionale prioriteiten. Achter dat plan zit dus niet alleen een groen doel. Daarnaast is het een bestuurlijke opstand tegen versnipperde financiering. Die financiering bracht veel geld binnen zonder altijd de gewenste impact zichtbaar te maken.
Die inzet haakt direct aan op het mondiale biodiversiteitskader dat in 2022 werd vastgelegd. Hierin maakten landen afspraken om tegen 2030 onder meer 30 procent van land, binnenwater en zee effectief te beschermen. Ze spraken ook af om 30 procent van aangetaste ecosystemen te herstellen. De zogeheten 30 bij 30 doelstelling is daarmee geen losse slogan van eilanden. Integendeel, het is een formeel onderdeel van het Kunming Montreal Global Biodiversity Framework. Dit kader geldt wereldwijd als nieuwe maatstaf voor natuurbeleid. Voor kleine eilandstaten krijgt dat doel extra gewicht, omdat de kwaliteit van kusten, mangroven, riffen en mariene ecosystemen daar niet alleen ecologisch telt. Het hangt daar ook direct samen met voedsel, toerisme, visserij en bescherming tegen klimaatklappen.
Wat de Oost Caribische landen nu proberen, is daarom minder een klassiek natuurproject dan een test van regionale regie. Volgens analisten zei Grenada’s klimaatgezant Safiya Sawney dat de regio in de twintig jaar tot 2024 weliswaar ongeveer 650 miljoen dollar aan natuurbescherming binnenhaalde. Zij zei ook dat overheden vaak eerst moesten buigen voor de prioriteiten van multilaterale donoren. Dat gebrek aan afstemming leidde ook tot doublures. De boodschap uit de regio is daarmee hard, want veel financiering betekent nog niet automatisch veel effect. Dit speelt vooral wanneer de programmering van buitenaf komt. In zo’n geval hebben landen zelf te weinig grip op samenhang, timing en uitvoering.
De timing van deze regionale poging is geen toeval, omdat kleine eilandstaten tegelijk tegen een veel bredere financieringsmuur oplopen. Het Global Center on Adaptation en verwante analyses stellen dat SIDS wereldwijd ongeveer 12 miljard dollar per jaar nodig hebben om zich aan de gevolgen van klimaatverandering aan te passen. Ondertussen ontvangen zij slechts rond 2 miljard dollar, een kloof die hun onderhandelingspositie en uitvoeringskracht structureel onder druk zet. In zo’n omgeving wordt een regionale schaal benadering aantrekkelijker, omdat zij grotere projecten mogelijk maakt. Hierdoor kan het meer private en filantropische partijen aanspreken. Bovendien vergroot dit de kans dat overheden zelf de investeringslogica vormgeven in plaats van die alleen te ondergaan.
Daarom krijgt het OECS plan ook steun vanuit bredere discussies over oceaanfinanciering en regionale natuurbescherming. De Caribbean Biodiversity Fund en partners lanceerden eerder al de bredere Caribbean 30×30 Vision for the Ocean. Hierin worden politieke coördinatie en een regionaal oceaanmechanisme als sleutels gezien om natuurdoelen en financiering beter aan elkaar te koppelen. Ook recente analyses van de IDB onderstrepen dat Latijns Amerika en het Caribisch gebied de 30 bij 30 doelstelling in beginsel kunnen halen met relatief beperkte percentages van het regionaal inkomen. Dit lukt echter alleen als de financieringsmix slimmer wordt ingericht. Tevens is het noodzakelijk dat publieke en private middelen elkaar beter aanvullen.
Voor Suriname ligt hier een duidelijke les, ook al maakt het land geen deel uit van de OECS groep. Een kust en rivierland met grote bossen, mariene zones en ecologische rijkdom kan het zich moeilijk veroorloven om biodiversiteit alleen als natuurvraagstuk te behandelen. Elders in de regio wordt natuur namelijk steeds explicieter verbonden aan financiering, klimaatweerbaarheid, voedselzekerheid en economische bescherming. In mijn visie moet Suriname niet pas later aanhaken als anderen al regionale standaarden, fondsen en samenwerkingsmodellen hebben gebouwd. In plaats daarvan moet Suriname nu scherper bepalen hoe het eigen natuurbeleid bankwaardig, regionaal relevant en bestuurlijk samenhangend wordt gemaakt.
De diepere boodschap van dit Caribische offensief is dat biodiversiteit in 2026 niet meer alleen over bescherming gaat, maar over macht, onder bij de handeling en de kwaliteit van publieke regie. Eilanden die jarenlang geld zagen binnenkomen zonder altijd de gewenste uitkomst te voelen, zeggen nu in feite dat internationale financiering pas echt waarde krijgt wanneer zij aansluit op lokale kennis, regionale schaal en eigen prioriteiten. Voor Suriname is dat een bruikbare waarschuwing, want wie zijn natuurlijke rijkdom niet op tijd koppelt aan strategie, financiering en uitvoeringskracht, loopt het risico dat anderen wel over de waarde van die natuur praten. De feitelijke regie blijft dan echter elders liggen.
Volg de Facebookpagina and Youtube kanaal voor data, nieuws en inspiratie. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com