De opvallend brede gastenlijst van de G7 top in Évian maakte duidelijk dat de traditionele machtscentra niet langer zelfstandig kunnen bepalen hoe de wereldorde wordt ingericht, want naast de zeven industrielanden werden onder meer India, Brazilië, Zuid Korea, Kenia, Oekraïne, Saudi Arabië, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten bij gesprekken of afzonderlijke sessies betrokken. Die diplomatieke verbreding getuigt niet alleen van bereidheid tot samenwerking, maar verraadt eveneens dat invloedrijke economieën uit Azië, Afrika, Latijns Amerika en het Midden Oosten onmisbaar zijn geworden bij beslissingen over handel, energie, oorlog, klimaat en financiële stabiliteit.
Achter die ontwikkeling ligt een langdurige verschuiving van macht die begon met antikoloniale bewegingen, de opkomst van de Sovjet Unie en de geleidelijke ontmanteling van Europese wereldrijken. Tientallen landen verkregen in de twintigste eeuw politieke zelfstandigheid, maar erfden economieën die waren ingericht voor de uitvoer van grondstoffen en nauwelijks beschikten over eigen financiële, industriële of militaire structuren. De Beweging van Niet Gebonden Landen bood veel jonge staten vervolgens een platform om buiten de directe greep van Washington en Moskou naar vrede, ontwikkeling en strategische zelfstandigheid te zoeken.
Na de val van de Sovjet Unie ontstond rond 1991 een periode waarin de Verenigde Staten vrijwel zonder gelijkwaardige tegenmacht konden optreden, waardoor internationale instellingen, financiële markten en veiligheidsstructuren sterker rond Amerikaanse belangen werden georganiseerd. Dat tijdperk loopt zichtbaar tegen zijn grenzen aan, omdat China economisch en militair is uitgegroeid tot een wereldmacht, Rusland de confrontatie met het Westen heeft opgezocht en regionale spelers steeds vaker weigeren zich automatisch bij één kamp aan te sluiten. De Amerikaanse militaire betrokkenheid bij het conflict met Iran heeft eveneens laten zien dat overwicht op het slagveld geen snelle politieke oplossing garandeert en dat langdurige escalatie de geloofwaardigheid van zelfs de machtigste staat kan aantasten.
China en Rusland presenteren hun nauwere samenwerking als een tegenwicht tegen westerse dominantie, maar de sterkste structurele verandering speelt zich mogelijk af binnen BRICS, dat inmiddels elf lidstaten omvat en zich ontwikkelt tot een omvangrijk overlegplatform voor het mondiale zuiden. De organisatie beschikt nog niet over de politieke samenhang of militaire discipline van een klassiek machtsblok, maar haar groeiende bevolkingsaandeel, grondstoffenrijkdom, handelsvolume en financiële ambities maken haar te belangrijk om als symbolische vergaderclub af te schrijven. De New Development Bank, gesprekken over betalingen in nationale munten en pogingen om investeringsstromen buiten de dollar om te organiseren, geven die samenwerking steeds meer institutioneel gewicht.
Het beeld van een eensgezind front tegen het Westen verdient echter stevige nuancering, aangezien India en China elkaar strategisch wantrouwen, Rusland zwaar leunt op Beijing en landen als Iran en de Verenigde Arabische Emiraten hun eigen regionale belangen verdedigen. Tijdens een bijeenkomst van ministers onder Indiaas voorzitterschap kwam geen gezamenlijke verklaring tot stand, waardoor zichtbaar werd hoe snel conflicten binnen de groep een gedeelde agenda kunnen blokkeren. BRICS is daardoor geen nieuwe Sovjetgeleide alliantie en evenmin een herboren versie van de beweging van niet gebonden landen, maar een onderhandelingstafel waarop staten met uiteenlopende belangen proberen meer ruimte voor zichzelf af te dwingen.
Pakistan heeft binnen die veranderende verhoudingen onverwacht diplomatiek terrein teruggewonnen door gesprekken tussen Iran en de Verenigde Staten te helpen faciliteren. Een land dat jarenlang werd geplaagd door financiële kwetsbaarheid, politieke onrust en een tanende internationale positie, wist zich opnieuw te presenteren als bruikbare tussenpersoon in een conflict dat de wereldwijde energievoorziening en regionale veiligheid bedreigt. Die ontwikkeling toont hoe snel geopolitieke relevantie kan terugkeren wanneer een staat over de juiste contacten, geografische ligging en diplomatieke timing beschikt.
India bevindt zich ondertussen in een veel ingewikkelder positie, omdat het zijn historische reputatie als pleitbezorger van strategische autonomie wil behouden en tegelijkertijd steeds nauwer samenwerkt met de Verenigde Staten. Washington behandelt New Delhi daarbij niet als vanzelfsprekend bevoorrechte partner, maar als een belangrijke markt en veiligheidsmacht waarmee hard over tarieven, energie en markttoegang wordt onderhandeld. Trumps publieke uitspraken rond de spanningen tussen India en Pakistan na Operation Sindoor, gecombineerd met handelsdruk en de nadruk op Amerikaanse economische belangen, hebben in India het gevoel versterkt dat persoonlijke toenadering geen bescherming biedt tegen transactionele machtspolitiek.
De economische afspraken tussen beide landen maken die spanning bijzonder tastbaar, omdat Washington een aanvullende invoerheffing van vijfentwintig procent introk nadat India had toegezegd geen Russische olie meer te kopen, terwijl het algemene Amerikaanse tarief op Indiase producten van vijfentwintig naar achttien procent werd verlaagd. De regering in New Delhi beloofde tegelijk tarieven op Amerikaanse industriële goederen en verschillende landbouwproducten te verminderen en sprak de intentie uit om voor honderden miljarden dollars aan Amerikaanse energie, technologie, steenkool en andere producten af te nemen. Daarmee verwierf India commerciële ruimte, maar ontstond ook twijfel over de vraag hoeveel strategische zelfstandigheid het bereid is in te leveren wanneer Amerikaanse markttoegang op het spel staat.
De verhouding met Israël vergroot die geloofwaardigheidskwestie, aangezien premier Narendra Modi op 25 februari 2026 als eerste Indiase regeringsleider het Israëlische parlement toesprak en de bilaterale relatie kort daarna werd verheven tot een speciaal strategisch partnerschap. Modi veroordeelde terrorisme, herdacht de slachtoffers van de aanval van 7 oktober en benadrukte samenwerking op het gebied van defensie, cyberveiligheid, technologie, landbouw en waterbeheer. Tegelijk sprak India steun uit voor een internationaal vredesinitiatief voor Gaza, maar bij critici bleef de indruk bestaan dat New Delhi zich opvallend dicht naast de Israëlische regering plaatst, die in internationale rechtsfora wordt geconfronteerd met uiterst ernstige beschuldigingen die zij zelf nadrukkelijk verwerpt.
India’s voorzitterschap van BRICS in 2026 wordt daardoor meer dan een diplomatieke ceremonie, want New Delhi moet aantonen dat het de belangen van het mondiale zuiden kan vertegenwoordigen zonder als verlengstuk van Washington te worden gezien. De krachtige steun van de G7 voor Oekraïne en nieuwe druk op de Russische oorlogseconomie botsen rechtstreeks met de aanwezigheid van Rusland binnen BRICS en met India’s langdurige banden met Moskou. Met China als volgende voorzitter in 2027 en nog geen volledige zekerheid over de persoonlijke aanwezigheid van Vladimir Poetin en Xi Jinping bij de top, zal iedere Indiase formulering over handel, oorlog en internationale hervorming nauwkeurig worden gewogen.
Geloofwaardig leiderschap vereist daarom meer dan toespraken over een rechtvaardige wereldorde, want India zal concrete voorstellen moeten indienen voor betaalbare ontwikkelingsfinanciering, voedselzekerheid, energievoorziening, technologische kennisdeling en hervorming van mondiale instellingen. Een geleidelijke vermindering van de dollarafhankelijkheid kan daarbij nuttig zijn, zolang nationale munten, betalingssystemen en financiële reserves niet worden veranderd in wapens van een nieuwe machtsstrijd. Collectieve veiligheid krijgt eveneens pas betekenis wanneer kleinere landen worden beschermd tegen economische dwang, schuldenproblemen en militaire druk, ongeacht of die uit het Westen of uit een opkomend machtscentrum afkomstig zijn.
Suriname kan binnen deze herschikking het meeste bereiken met een diplomatie die meerdere deuren openhoudt, financieringsbronnen spreidt en economische samenwerking koppelt aan transparante voorwaarden, lokale productie en aantoonbare kennisoverdracht. Een ondoordachte keuze voor een geopolitiek kamp zou de beleidsruimte juist verkleinen, maar zorgvuldig opgebouwde relaties met BRICS landen, westerse partners en regionale instellingen kunnen toegang geven tot kapitaal, technologie en nieuwe afzetmarkten zonder de nationale zelfstandigheid prijs te geven.
BRICS is daarmee geen toekomstige mogelijkheid meer, maar een politieke en economische werkelijkheid waarvan de uiteindelijke kracht zal afhangen van de bereidheid om onderlinge rivaliteit om te zetten in werkbare samenwerking. India staat daarbij voor een keuze die niet langer kan worden uitgesteld, want het kan de brug worden tussen concurrerende machtsblokken of zijn geloofwaardigheid verliezen door aan iedere tafel een ander verhaal te vertellen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com