In Oktober 2024 nam TotalEnergies een definitieve investeringsbeslissing (FID) voor het GranMorgu-project op Block 58. Met een investering van circa $10,5 miljard is dit de grootste enkelvoudige investering in Suriname ooit en markeert het de eerste grote offshore olieontwikkeling van het land. TotalEnergies zal als operator optreden met een belang van 50 % naast APA Corporation (50 %), terwijl Staatsolie Maatschappij Suriname het recht heeft om voor Juni 2025 tot 20 % van de belangen te verwerven . Binnen het project wordt een 220.000 vaten per dag Floating Production Storage and Offloading-unit (FPSO) gerealiseerd, waarbij technologieën worden ingezet om de CO₂-emissies onder 16 kg CO₂e/BOE te houden. De eerste olie wordt naar verwachting in 2028 geproduceerd.
Hoewel Suriname zich in 2025 nog in de finaliserende fase van contracten en vergunningsprocedures bevindt, heeft TotalEnergies reeds concrete lokale contentverplichtingen gecommuniceerd. Paramaribo is benoemd tot primair knooppunt voor administratieve, ondersteunende en logistieke activiteiten. Lokale ondernemingen zullen een directe rol spelen in de logistiek, well services en in de installatie- en operationele fasen van onderzeese systemen en de FPSO . De investeringen in lokale content worden geraamd op meer dan $1 miljard, met naar schatting 6.000 banen (2.000 direct en 4.000 indirect) die in Suriname gecreëerd zullen worden . Tegelijkertijd loopt een exploratiecampagne in Block 64, waarin TotalEnergies (40 % belang) samenwerkt met Petronas en QatarEnergy (elk 30 %) om de Macaw-1 prospect te boren, waarbij Staatsolie de facilitaire ondersteuning vanuit Paramaribo leidt .
TotalEnergies’ ervaringen in andere landen
De praktijkervaringen van TotalEnergies in landen als Angola, Ghana en Nigeria zijn een voorbeeld voor de manier waarop een sterke focus op local content en investeringen in menselijk kapitaal kan bijdragen aan duurzame impact.
In Angola, waar TotalEnergies sinds Oktober 2020 actief is in Block 20/11 (het Kaminho-project met een 40 % belang naast Petronas en Sonangol), voorziet het project in een FPSO die in 2028 operationeel moet zijn. Onder de Angolese Presidentiële Decreet 271/20 moet TotalEnergies meer dan 10 miljoen arbeidsuren reserveren voor Angolese bedrijven, waarbij nadruk ligt op in‐country fabrication en installatie. Tegelijkertijd werden in samenwerking met de Nationale Administratie voor Petroleum, Aardgas en Biobrandstoffen (ANPG) trainingsprogramma’s opgezet voor technici, engineers en veiligheidspersoneel. Door ketenlokalisatie-initiatieven te stimuleren, denk bijvoorbeeld aan inkoop van lokale materialen en het betrekken van Angolese scheepswerven voor FPSO-modules, ontstond een ecosysteem waarin de binnenlandse industrie gestaag groeide .
In Ghana draait sinds 2013 de Local Content and Local Participation Act (LI 2204), die voorschrijft dat minstens 5 % van de aandelen in exploratie- en productieprojecten aan inheemse Ghanese bedrijven moet toebehoren. Daarnaast moeten oliebedrijven een aanzienlijk deel van hun personeel (minstens 90 %) Ghanese werknemers zijn, en stimuleren zij de oprichting van regionale trainingscentra. TotalEnergies investeerde dan ook in opleidingsfaciliteiten in Kumasi en Takoradi, waar cursussen in boortechnieken, veiligheidsmanagement en offshore-engineering werden gegeven. Mede daardoor werd meer dan 40 % van de operationele basisfuncties ingevuld door Ghanese technici .
In Nigeria fungeert de Nigerian Oil and Gas Industry Content Development (NOGICD) Act van 2010 als een strak kader voor lokale contentontwikkeling. De wet eist dat oliemaatschappijen een Local Content Plan (LCP) indienen bij de Nigerian Content Development and Monitoring Board (NCDMB) en dat in elk servicecontract minimaal 51 % lokale participatie is. Verder moet ten minste 70 % van de arbeidskrachten uit Indigenen bestaan. TotalEnergies werkte samen met het Petroleum Technology Association of Nigeria (PETAN) om lokale toeleveranciers te versterken en beurzen te financieren aan de University of Port Harcourt. Door deze aanpak steeg de binnenlandse leveranciersparticipatie van 15 % in 2015 naar meer dan 50 % in 2024, wat niet alleen tot een significante toename van lokale werkgelegenheid leidde, maar ook nieuwe capaciteiten in de binnenlandse toeleveringsketen opbouwde.
TotalEnergies in Suriname en GranMorgu
Met de aanstaande productie in 2028 zal GranMorgu naar verwachting ongeveer 220.000 vaten per dag leveren, waarbij Staatsolie tot 20 % van de belangen mag verwerven. TotalEnergies heeft in April 2025 een memorandum of understanding (MOU) getekend met de Surinaamse overheid om via het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen samen te werken aan de ontwikkeling van lokale vaardigheden en duurzame economische programma’s. Paramaribo zal fungeren als administratieve en logistieke hub, zodat logistieke bedrijven, offshore-serviceondernemingen en lokale scheepswerven hun diensten kunnen aanbieden voor de inzet van drijvende boorplatforms en de FPSO. Volgens de huidige raming is ongeveer 10 % van de contractvolumes voor inkoop en diensten voor lokale spelers gereserveerd, en worden de totale investeringen in lokale content geschat op meer dan $1 miljard . Dit moet leiden tot een verwachte 6.000 banen in Suriname, waarvan 2.000 directe en 4.000 indirecte werkgelegenheidsimpulsen.
Block 64 exploratie: Human Capital en lokale leveranciers
Voor de Macaw-1 exploratiewell in Block 64 (waar de booractiviteiten op 19 Mei 2025 begonnen) is vastgelegd dat 60 % van de benodigde goederen en diensten door Surinaamse bedrijven moet worden geleverd. TotalEnergies contracteerde Stena Drilling voor de Stena DrillMAX-drijvende boormachine en zorgde dat het lokale scheepshaven in Paramaribo de bevoorrading in materialen en personeelstransport faciliteert. Daarnaast loopt een partnerschap met Staatsolie om scholen en vakopleidingen te financieren. Dit programma laat Surinaamse technici stages lopen op de boorinstallatie, mits zij beschikken over de vereiste certificaten op het gebied van veiligheid en boortechnologie . Op deze manier wordt niet alleen lokale participatie gewaarborgd, maar ook directe overdracht van technische kennis.
Local content-regelgeving en menselijk kapitaal
De ervaringen in Ghana, Nigeria en Angola tonen aan hoe cruciaal een krachtig wettelijk kader en investeringen in opleidingen zijn om lokale economische groei te stimuleren.
In Ghana verplicht de Local Content Act van 2013 buitenlandse oliemaatschappijen om minimaal 15 % van hun contractbudget aan lokale leveranciers uit te geven. Bovendien wordt vereist dat 90 % van de tewerkstelling binnen de sector wordt ingevuld door Ghanese professionals, en dat 5 % van de projectwinst in een fonds gaat voor trainings- en capaciteitsopbouw. TotalEnergies’ investeringen in opleidingsinstituten voor boor- en veiligheidsmanagement deden het aantal gecertificeerde Ghanese technici gestaag toenemen, terwijl het aandeel vrouwen in gespecialiseerde functies opliep tot zo’n 30 % .
In Nigeria zorgt de NOGICD Act uit 2010 ervoor dat elk olie- en gasproject een goedgekeurd Local Content Plan (LCP) moet hebben voordat NCDMB een vergunning verleent. De wet schrijft voor dat in de aanbesteding minimaal 40 % van de bedrijfsactiviteiten lokale participatie moet omvatten en dat dit percentage binnen vijf jaar naar 70 % groeit. TotalEnergies bouwde in samenwerking met PETAN onderwijsprogramma’s uit aan polytechnische scholen in Warri en Lagos, waardoor het aantal opgeleide lokale ingenieurs steeg van 120 in 2018 naar 680 in 2024 .
In Angola schrijft het Local Content Framework (sedert 2020) voor dat 25 % van fabricage- en constructiewerk lokaal moet plaatsvinden, oplopend naar 40 % binnen drie jaar. TotalEnergies’ Kaminho-project voor Block 20/11 vereist partnerschappen met Angolese bedrijven voor de bouw van FPSO-bodems in lokale scheepswerven. Tegelijkertijd investeerde TotalEnergies is samen met Sonangol in een Skill Development Program dat 1.200 lokale technici trainde in onderzeese installatieonderhoud en operationeel beheer. Daarnaast werd in Huambo een opleidingscentrum geopend voor veiligheidsmonteurs en scheepsbouwtechnici, zodat de binnenlandse industrie steeds meer onderdelen van de productieketen kan bedienen .
Implementatie kansen in Suriname
Om de geleerde lessen uit Ghana, Nigeria en Angola te vertalen naar Suriname, is een holistische benadering cruciaal. Het verdient aanbeveling dat Suriname een eigen “Suriname Local Content Act” ontwikkelt, waarin wordt vastgelegd dat in de beginfase van GranMorgu 20 % van alle contractuitgaven gereserveerd moet worden voor lokale bedrijven, oplopend tot 40 % binnen drie jaar, verdeeld over inkoop, bouw en operationele diensten. Daarnaast zou deze wet voorschrijven dat TotalEnergies samen met Staatsolie binnen 12 maanden na de investeringsbeslissing een “Local Content Development Plan” (LCDP) indient bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen. In dit LCDP dienen concrete doelstellingen te staan voor opleidingen én stages binnen zowel technische als managementfuncties. Tegelijkertijd is het raadzaam een “Bureau Local Content Suriname” op te richten, naar analogie van Nigeria’s NCDMB, dat door middel van jaarlijkse rapportages toeziet op de naleving van doelstellingen en pre‐kwalificeert op basis van vastgestelde normen.
Investeren in Human Capital
Een tweede belangrijke speerpunt is de opbouw van Surinaams menselijk kapitaal. Hiervoor zou Suriname kunnen starten met het inrichten van een “Suriname Oil & Gas Scholarship Fund”, waaraan TotalEnergies, APA, Staatsolie en de overheid jaarlijks gezamenlijk $ 5 miljoen doneren. Dit fonds is bedoeld voor beurzen aan studenten die zich specialiseren in boortechnologie, offshore-engineering, milieumanagement en bedrijfsbeheer, bij voorkeur in samenwerking met gerenommeerde universiteiten in Nederland, Brazilië en Guyana . Daarnaast is het van groot belang in Paramaribo een regionaal “Technical Training Center” (TTC) op te richten, vergelijkbaar met de opleidingsinstituten in Kumasi en Warri. Deze faciliteit kan uitgerust worden met simulatoren voor boorinstallaties en noodprocedures. Om kwalitatief hoogwaardig onderwijs te bieden, kunnen ervaren ingenieurs uit Angola, Ghana en Nigeria worden uitgenodigd voor gastcolleges en workshops, zodat Surinaamse studenten en technici kennismaken met internationale best practices.
Daarnaast is het aan te bevelen dat TotalEnergies en Staatsolie gezamenlijk stage- en leerwerktrajecten opzetten. In het opstartjaar van GranMorgu en de Block 64-boringen zou iedere 150 Surinaamse studenten en pas-opgeleide technici in een leerwerktraject van vier tot zes weken worden geplaatst op de FPSO of de boorinstallaties. Onder begeleiding van ervaren supervisors kunnen zij zo in de praktijk hun vaardigheden ontwikkelen, mits zij de vereiste certificeringen op het gebied van veiligheid en boortechnologie hebben behaald.
Versterken van lokale ondernemers
Ook de versterking van lokale ondernemers is essentieel om te zorgen dat Suriname profiteert van directe en indirecte economische spin‐offs. Net als in Nigeria kan Suriname een “Vendor Development Programme” invoeren, waarin Surinaamse bedrijven een “Vendor Registry” bijhouden. Hierin registreren zij hun capaciteiten, certificeringen (zoals ISO 9001 en SHEQ‐normen) en portfolio. TotalEnergies kan vervolgens jaarlijks pre‐kwalificatiesessies organiseren aan de hand van deze registry. Om lokale ondernemers beter voor te bereiden, is het raadzaam dat Staatsolie en de Kamer van Koophandel gezamenlijk gratis workshops aanbieden over het voldoen aan internationale kwaliteitsnormen. Zo kunnen kleinere MKB-bedrijven zich kwalificeren voor contracten in scheepsonderhoud, catering, logistiek en veiligheidsdiensten. Verder kan een gefaseerde benadering worden gehanteerd voor contracttoewijzing: aanvankelijk worden Surinaamse bedrijven betrokken bij minder complexe categorieën, zoals beveiliging en catering, waarna zij geleidelijk doorstromen naar veeleisender werk in subsea-installaties en offshore-onderhoud. Op die manier kunnen lokale ondernemingen groeien in capaciteit en handelsreputatie.
Een kans voor duurzame ontwikkeling
TotalEnergies brengt met GranMorgu en de Block 64-exploratie aanzienlijke kapitaalstromen en technologische kennis naar Suriname. De voorbeelden uit Ghana, Nigeria en Angola tonen aan dat een krachtig wettelijk framework voor lokale content, in combinatie met gerichte investeringen in human capital, de basis legt voor echte waardecreatie in het binnenlandse ecosysteem. Voor Suriname betekent dit niet alleen de werkgelegenheid langs de kust, maar ook de opbouw van een duurzame, lokale toeleveringsketen die expertise behoudt en uitbreidt. Als beleidsmakers, Staatsolie en lokale ondernemers deze lessen daadwerkelijk omarmen, kan het GranMorgu-project niet alleen de toon zetten voor Suriname’s olie & gasector, maar ook fungeren als motor voor economische diversificatie. Alleen door te investeren in een solide juridisch raamwerk, intensieve scholingsprogramma’s en effectieve ondernemerssteun, kan Suriname de risico’s van “Dutch Disease” beperken en een veerkrachtig, kennisgedreven olie- en gasnetwerk realiseren.