Suriname beschikt nog altijd over aanzienlijke bauxietvoorraden en dat is bij verschillende internationale mijnbouwbedrijven goed bekend. Vooral in de omgeving van Moengo, het Nassaugebied en het Bakhuisgebergte in West-Suriname liggen nog grote hoeveelheden erts die wachten op ontginning. Toch waarschuwen deskundigen en beleidsmakers dat het land voorzichtig moet omgaan met nieuwe buitenlandse investeringsvoorstellen. Wij mogen nooit toestaan dat ons bauxiet in ruwe vorm het land verlaat. Elke toekomstige samenwerking moet bijdragen aan de opbouw van een geïntegreerde bauxietindustrie in Suriname zelf.
In de regio’s rond Moengo en Nassau bevinden zich nog rijke bauxietlagen, waaronder het Adjoema-bauxietareaal. In het Bakhuisgebergte ligt naar schatting nog ruim 80 miljoen ton erts. Deze gebieden zijn uitvoerig bestudeerd door mijnbouwreuzen Billiton en Alcoa, die destijds miljoenen investeerden in geologisch onderzoek.
Hoewel beide bedrijven om strategische redenen vertrokken zijn, beschikken zij nog steeds over diepgaande kennis van Surinames bodemschatten. De vraag is als zij of andere spelers bereid zijn terug te keren, en onder welke voorwaarden.
De geschiedenis van de bauxietindustrie leert dat buitenlandse investeringen niet altijd duurzaam voordeel voor Suriname opleverden, dat toekomstige exploitatie alleen aanvaardbaar is als er ook binnenlandse verwerking plaatsvindt bijvoorbeeld in de vorm van een aluinaarde- of aluminiumfabriek. Het exporteren van ruwe grondstof zonder lokale bewerking mag nooit meer gebeuren.
In de jaren vijftig begreep ook Alcoa dit principe, wat leidde tot de bouw van de Afobakadam en de Paranam-aluinaardefabriek, destijds symbolen van industriële vooruitgang. Toch bleken die industriële hoogdagen niet eeuwig. BHP-Billiton was ooit bereid te investeren in het uitbaggeren van de Corantijnrivier en de Surinamerivier tot Paranam om het transport van bauxiet te vergemakkelijken. Het plan was om het erts van Bakhuis te combineren met dat van Nassau en in Paranam tot aluinaarde te verwerken. Maar door hoge kosten, de lage kwaliteit van het Bakhuis-erts en de noodzaak van een dure renovatie van de Paranam-raffinaderij, trok Billiton in 2009 de stekker uit het project. Niet lang daarna volgde ook Alcoa, dat goedkopere alternatieven vond in Maranhão, Brazilië.
Suriname weet hoeveel potentie er nog in de grond ligt maar ook hoeveel er op het spel staat. Het land wil niet opnieuw vervallen in de rol van wingewest, waarin buitenlandse bedrijven profiteren terwijl de lokale economie weinig baat heeft.
Toekomstige samenwerking moet dus gestoeld zijn op wederzijds voordeel, technologische overdracht en binnenlandse productiecapaciteit. Suriname mag zich nooit meer laten duperen door ongunstige contracten, klinkt het krachtig. Onze natuurlijke rijkdommen moeten eindelijk werken in het voordeel van ons eigen volk.