In Belem wordt deze week niet alleen over komma’s en voetnoten gesteggeld, maar over de vraag hoe hard de wereld nog durft te sturen op klimaat, want gastland Brazilië probeert het COP30 overleg in een hogere versnelling te duwen met een tweesporenplan, terwijl grote scheidslijnen over fossiele brandstoffen en klimaattoezeggingen pijnlijk zichtbaar blijven.
Op het uitgestrekte conferentieterrein in de Amazone heeft de Braziliaanse COP30 voorzitter André Corrêa do Lago de delegaties gevraagd mee te gaan in een vroege deal, een pakket dat al op woensdag moet landen met politieke knopen over het terugdringen van fossiel gebruik en het eindelijk waarmaken van eerder beloofde klimaatfinanciering, en een tweede ronde tegen vrijdag om de overgebleven dossiers af te ronden. Dat is ambitieus, zeker omdat dezelfde onderwerpen nog maar kort geleden te gevoelig werden gevonden om zelfs maar formeel op de agenda te zetten.
Ondanks de optimistische toon erkent de Braziliaanse leiding dat de tegenstellingen fors zijn. Een aantal landen, onder wie kwetsbare eilandstaten en klimaatgevoelige economieën, dringt aan op een concreet stappenplan om de in Dubai afgesproken transitie weg van fossiele brandstoffen uit COP28 nu daadwerkelijk te vertalen naar beleid, met heldere verplichtingen en tijdpaden. In de eerste concepttekst is die routekaart slechts als optie opgenomen en wordt de verwijzing naar fossiel door velen als te mager en te vrijblijvend gezien.
Tegenover die oproep staan landen die elke formulering die naar een harde afbouw van olie, gas en steenkool riekt, direct als rode lijn bestempelen. Volgens de COP30 voorzitter behoort het voorstel om landen te laten rapporteren over concrete plannen voor vermindering van fossiel gebruik al tot de elementen die door verschillende hoofdsteden als te zwaar zijn afgewezen. De kern blijft dus een bekend spanningsveld, namelijk tussen landen die de onderhandelingen willen gebruiken om de wereldwijde energiemix echt om te buigen en landen die hun economische model nog grotendeels leunen op fossiele export of goedkope fossiele energie.
Naast de fossiele discussie hangt het geld als zware wolk boven de zaal. Ontwikkelingslanden willen niet nog een slotverklaring vol abstracte beloftes, maar duidelijkheid over hoe rijke landen structureel financiering leveren om de overgang naar schone energie te betalen en zich beter te beschermen tegen extreem weer. De afspraak om richting 2035 honderden miljarden per jaar aan klimaatfinanciering vrij te maken, vraagt om concrete schema’s, fondsen en verantwoordingsmechanismen. Zonder dat fundament dreigt het vertrouwen in de multilaterale klimaataanpak verder af te brokkelen.
Brazilië probeert daar een eigen antwoord op te formuleren met het concept van een mondiale mutirão, ontleend aan de Braziliaanse traditie van gezamenlijke klussen, waarin landen niet alleen nieuwe doelen afspreken maar elkaar onder toezicht van een door de Verenigde Naties gesteunde raad periodiek laten controleren op uitvoering. De eerste concepttekst met de titel Global Mutirão schetst die richting en moet na een reeks bilaterale consultaties worden aangescherpt. Een nieuwe versie wordt woensdag verwacht, waarna opnieuw onderhandeld wordt over elk woord.
De aanwezigheid van president Lula da Silva en secretaris generaal António Guterres moet de gesprekken een extra duw geven. Lula presenteert zich nadrukkelijk als verdediger van het Amazonewoud en pleitbezorger van een rechtvaardige transitie, waarin landen met historische uitstoot een grotere verantwoordelijkheid dragen. Tegelijk weet Brazilië dat het zelf op een dun koord balanceert, als groeiende olie en gasproducent die tegelijk een groene diplomatieke rol opeist. Die dubbelheid maakt de uitkomst van deze COP extra beladen.
Voor landen als Suriname, die met een relatief kleine uitstoot maar grote bosrijkdom aan de klimaattafel zitten, zijn de uitkomsten meer dan symbolisch. Een stevig akkoord over het versneld terugdringen van fossiele brandstoffen en het opschalen van klimaatfinanciering bepaalt in hoge mate of er de komende jaren ruimte komt voor investeringen in behoud van tropisch bos, klimaatbestendige infrastructuur en economische diversificatie weg van ruwe grondstoffen. Als de wereld kiest voor duidelijke regels en een robuuste financieringsarchitectuur, krijgt een land dat zijn regenwoud grotendeels intact heeft gehouden meer onderhandelingskracht om eerlijke vergoedingen en partnerschappen te eisen.
Blijft de tekst steken in vage formuleringen en zachte opties, dan dreigt opnieuw een scenario waarin de zwaarste lasten van klimaatverandering bij de meest kwetsbare economieën terechtkomen, die afhankelijk blijven van dure leningen in plaats van voorspelbare steun en slimme investeringen. Voor Suriname wordt het daarom zaak de discussies in Belem scherp te volgen, bondgenoten te zoeken rond bos, adaptatie en financiering en de eigen positie zó te formuleren dat elke mondiaal afgesproken mutirão zich ook vertaalt naar concrete voordelen in Paramaribo, Brokopondo en Nickerie.
In de wandelgangen van COP30 klinkt tussen alle diplomatieke taal door een simpele vraag, namelijk of deze conferentie de sprong durft te maken van afspraken naar uitvoering. De Braziliaanse gok op een vroege deal is een poging om dat te forceren. Of het lukt, hangt af van de bereidheid van bijna tweehonderd landen om niet alleen hun woorden maar ook hun belangen te herzien, in een wereld die minder tijd heeft dan de onderhandelingstafels soms doen vermoeden.