In Georgetown wordt steeds nadrukkelijker duidelijk dat de economische versnelling niet langer uitsluitend leunt op offshore barrels, omdat ook de sectoren buiten olie aantrekken en daarmee het draagvlak van de groei verbreden. Die verbreding wordt in Guyana bewust gepresenteerd als de volgende fase, met nadruk op productie, diensten en infrastructuur die de oliecyclus kunnen overleven en tegelijk meer banen en lokale waarde kunnen vasthouden. Internationale waarnemers zien dezelfde lijn, omdat recente ramingen en marktdata erop wijzen dat de niet olie economie een steeds zwaardere rol krijgt in de totale groeimix.
De logica achter die verschuiving is zakelijk en hard, want een olieboom zonder sterke achterliggende economie maakt landen kwetsbaar voor prijsschokken, importdruk en politieke spanning rond verdeling. Daarom schuift Guyana nadruk naar ketens die normaal gesproken als tweede orde worden gezien, zoals agro, handel, toerisme, bouw en de standaarden die daarvoor nodig zijn. Het verhaal is dat brede groei pas echt telt als het zichtbaar wordt in productiviteit, ondernemerschap en voorspelbare regels, niet alleen in exportcijfers.
Voor Suriname is dit relevant omdat de eigen offshore route dezelfde infrastructuurvraag oproept, maar de echte winst pas komt wanneer niet energie sectoren tegelijk professioneel worden opgetild. Dat betekent dat logistiek, certificering, opleidingen, financiering en markttoegang in één lijn moeten liggen, zodat lokale bedrijven niet pas aan het einde mogen aansluiten wanneer contracten al verdeeld zijn. Een praktische versneller zit vaak in discipline, waarbij bedrijven en overheid dezelfde normtaal gebruiken, dezelfde documentstandaarden hanteren en dezelfde doorlooptijden publiek durven maken, zodat investeerders en leveranciers minder frictie voelen en sneller opschalen.