In de vergaderzaal werd duidelijk dat Suriname en de Inter Amerikaanse Ontwikkelingsbank aan een nieuwe fase beginnen, een fase waarin elke dollar uit bestaande programma’s sneller moet landen in klaslokalen, ziekenhuizen en energieprojecten in plaats van op spreadsheets te blijven hangen. De minister van Financiën en Planning ontving de regionale top van de bank voor het Caribisch gebied en zette vanaf het eerste moment een boodschap neer, namelijk dat Suriname de omslag naar een olie en gas economie wil gebruiken om de brede samenleving vooruit te helpen en niet om opnieuw in een rondje van dure leningen en uitgestelde hervormingen te belanden.
In de lopende samenwerking draaien momenteel ruim twintig projecten met een gezamenlijk volume van honderden miljoenen Amerikaanse dollars, maar een groot deel daarvan staat nog in de steigers, wat betekent dat contracten wel zijn getekend maar resultaten in buurten en districten nog niet overal zichtbaar zijn. De Surinaamse zijde legde daarom de nadruk op versnelling, op het wegnemen van knelpunten bij aanbestedingen, vergunningen en uitvoeringscapaciteit, en op het optimaal benutten van technische assistentie en schenkingen in plaats van automatisch naar nieuwe kredietlijnen te grijpen. De delegatie van de bank onderschreef dat voorzichtigheid geboden is bij extra schuldfinanciering en schoof mee in het denken over instrumenten waarmee kennis, training en ondersteuning voorop staan.
Belangrijk gespreksonderwerp was de nieuwe landenstrategie voor de komende jaren, waarin Suriname aangeeft welke prioriteiten tellen in een tijd waarin offshore inkomsten aan de horizon verschijnen maar instellingen, infrastructuur en menselijk kapitaal nog moeten worden versterkt. De bedoeling is dat deze routekaart niet in Washington of Brussel wordt geschreven, maar in Paramaribo, in nauwe afstemming met ministeries, private sector, sociale partners en maatschappelijke organisaties. De IDB committeerde zich om die koers te volgen en de eigen financiering en expertise te koppelen aan de keuzes die Suriname zelf maakt, zodat projecten in onderwijs, gezondheidszorg, energie en digitale overheid elkaar versterken in plaats van naast elkaar te bestaan.
Tijdens het overleg kwamen ook afspraken aan bod die op de klimaattop in de Amazone al in de kiem waren gelegd, onder meer over onderwijsinitiatieven en de voorbereiding van een nationale onderwijsconferentie waar beleid, praktijk en internationale partners elkaar moeten vinden. Daarnaast passeerden plannen voor ondersteuning in de energiesector en sociale programma’s de revue, net als fiscale trainingen in samenwerking met de University of the West Indies, gericht op sterkere belastingdiensten en beter beheer van publieke middelen. De toon in de gesprekken was zakelijk maar hoopvol, met aan beide kanten de erkenning dat grote olie verwachtingen alleen houdbaar zijn wanneer de basis van scholen, zorg, toezicht en belastinginning op orde is.
Voor Suriname betekent deze stap dat de relatie met de IDB minder draait om het openen van nieuwe kredietlijnen en meer om het verzilveren van wat al is afgesproken, het aanscherpen van prioriteiten en het opbouwen van de capaciteit om straks grotere eigen inkomsten verstandig te beheren. Een land dat nu al laat zien dat het voorzichtig is met schulden, dat transparant werkt met ontwikkelingsbanken en dat investeert in kennis en instellingen, bouwt geloofwaardigheid op die later veel waard blijkt wanneer olie en gas geen belofte meer zijn maar harde cijfers in de begroting, en precies daar ligt de stille winst van dit soort vergaderingen.