Voor de derde keer presenteert het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Arbeid (VWA) samen met het Suriname Hospitality and Tourism Training Centre (SHTTC) het programma Leri Fu Feni Wroko. Surinamers moeten worden klaargestoomd voor banen in de toerisme- en hospitalitysector. De opleidingen zijn gratis, worden gefinancierd door de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) en deelnemers krijgen na afloop een erkend certificaat en zo wordt beloofd, een directe koppeling aan een werkgever. Op papier klinkt het als een succesverhaal. In de praktijk roept het echter ook fundamentele vragen op over het arbeidsmarktbeleid van de regering en de manier waarop Suriname zich voorbereidt op de economische ontwikkelingen die de olie- en gassector met zich meebrengt. Volgens waarnemend SHTTC-directeur Nazara Kranenburg groeit de vraag naar gekwalificeerd personeel snel. Niet alleen de olie- en gassector zou banen creëren, maar ook de toeristische sector zou profiteren van de economische spin-off. Dat klinkt logisch, maar juist daarom is het opvallend dat Suriname pas nu op relatief kleine schaal mensen begint op te leiden.
De derde editie van het programma bestaat opnieuw uit een beperkte groep deelnemers. Kranenburg erkent zelfs dat het SHTTC al sinds vorig jaar probeert grotere groepen aan te trekken. Dat roept de vraag op waarom de overheid pas reageert terwijl al jaren bekend is dat de olie-industrie enorme gevolgen zou hebben voor de arbeidsmarkt. Het tekort aan vakbekwaam personeel is immers geen nieuw probleem. Nog opvallender is dat een internationaal gefinancierd project opnieuw een taak lijkt over te nemen die eigenlijk structureel door de overheid zelf zou moeten worden uitgevoerd. De opleidingen worden immers mogelijk gemaakt dankzij financiering van de IDB. Natuurlijk is internationale samenwerking welkom, maar hoe duurzaam is een programma wanneer de financiering van buitenaf wegvalt? Is er een langetermijnvisie om dergelijke opleidingen blijvend uit de nationale begroting te financieren of blijft Suriname afhankelijk van internationale donoren? Het programma probeert praktische drempels weg te nemen door vervoer en kinderopvang aan te bieden.
Dat verdient zonder meer waardering. Veel werkzoekenden stranden immers niet op gebrek aan motivatie, maar op financiële of sociale obstakels. Toch laat juist deze maatregel zien hoe groot de achterliggende problemen zijn. Wanneer vervoer en kinderopvang de doorslag geven om een opleiding te kunnen volgen, zegt dat minstens zoveel over de economische situatie van veel gezinnen als over het succes van het project. Ook de toelatingseisen verdienen aandacht. Kandidaten moeten minimaal 17 jaar zijn en beschikken over een GLO-diploma. Daarmee wordt een grote groep laaggeletterden of mensen zonder formele opleiding feitelijk uitgesloten. Juist deze groep heeft vaak de grootste afstand tot de arbeidsmarkt. Als het doel werkelijk is om werkloosheid terug te dringen, zou een breder traject met voorbereidende opleidingen minstens zo noodzakelijk zijn. De overheid benadrukt bovendien dat deelnemers na afronding direct worden gekoppeld aan werkgevers. Dat klinkt veelbelovend, maar concrete cijfers ontbreken.
Opvallend is ook de brede promotie van het programma. Jongeren worden aangemoedigd zich massaal aan te melden en tijdens een open dag zal worden uitgelegd dat een hospitalityopleiding ook buiten de toerismesector kansen biedt. Dat is een verstandige boodschap, maar ze verraadt tegelijk dat de arbeidsmarkt in de sector zelf mogelijk nog onvoldoende groot is om alle afgestudeerden op te nemen. Als dezelfde vaardigheden elders inzetbaar zijn, waarom wordt het programma dan vrijwel uitsluitend gepresenteerd als antwoord op de groei van toerisme en olie? Daar komt nog bij dat Suriname al jarenlang kampt met een mismatch tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Werkgevers klagen over een gebrek aan goed opgeleid personeel, terwijl duizenden jongeren moeite hebben om passend werk te vinden. Losse projecten lossen dat structurele probleem niet op. Daarvoor is een veel intensievere samenwerking nodig tussen onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en overheid, waarbij opleidingen voortdurend worden afgestemd op de werkelijke vraag in de economie.
Dat neemt niet weg dat Leri Fu Feni Wroko een waardevol initiatief is. Gratis opleidingen, begeleiding naar werk, certificering en ondersteuning met vervoer en kinderopvang zijn concrete voorzieningen die levens van deelnemers daadwerkelijk kunnen veranderen. Maar juist omdat het programma goede elementen bevat, mag de lat hoger worden gelegd. Suriname staat aan de vooravond van grote economische veranderingen. Dat vraagt niet om kleinschalige projecten die afhankelijk zijn van buitenlandse financiering, maar om een nationaal arbeidsmarktbeleid waarin beroepsonderwijs, vaktraining en duurzame werkgelegenheid structureel worden ontwikkeld. De vraag is niet of Surinamers willen werken. De vraag is of de overheid eindelijk bereid is om op de schaal van de economische ambities te investeren in haar eigen mensen. Zolang die structurele investering uitblijft, blijft Leri Fu Feni Wroko vooral een goed initiatief dat een veel groter probleem slechts gedeeltelijk oplost.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com