In Belém wordt dit jaar niet alleen over doelstellingen gesproken maar over de vraag of het hele systeem van klimaattoppen nog wel geschikt is voor de wereld die naar elke tiende graad opwarming kijkt, want na drie decennia van COP vergaderingen liggen er wel akkoorden, fondsen en grafieken maar blijft de concentratie broeikasgassen stijgen en schuift de grens van leefbare uitkomsten steeds verder op.
Binnen de zalen van COP30 groeit daarom de roep om een nieuwe fase waarin minder tijd wordt besteed aan feestelijke aankondigingen en meer aan de vraag wie welke belofte waarmaakt en hoe inspanningen op de grond versneld kunnen worden, een omslag die sommige onderhandelaars al de laatste klassieke COP noemen en het begin van een periode waarin uitvoering centraal staat. De secretaris generaal van de VN klimaatdienst heeft een groep van oud regeringsleiders, diplomaten, wetenschappers, ondernemers en vertegenwoordigers van inheemse volkeren gevraagd om een plan te schetsen voor de komende tien jaar, waarbij niets taboe is, van het beperken van het aantal deelnemers tot het hertekenen van de vergaderstructuur.
Tegelijk is er veel terughoudendheid bij landen die vrezen dat het openbreken van de spelregels juist nu een cadeau wordt voor klimaatontkenners en regeringen die groene wetten proberen terug te draaien, omdat het hele bouwwerk van afspraken dan opnieuw onderwerp van onderhandeling kan worden. Een oud minister uit Latijns Amerika waarschuwde al dat wie nu aan de fundamenten sleutelt, het risico loopt dat er aan het eind van de rit minder overblijft dan er vandaag ligt, een angst die wordt gedeeld door landen die bijvoorbeeld het Akkoord van Parijs als minimale veiligheidsgordel zien.
De grootste frustratie richt zich op het principe dat alle besluiten met algemene instemming moeten worden genomen, een model dat ooit is gekozen om de legitimiteit te waarborgen, maar in de praktijk vaak betekent dat een of enkele landen ambitieuze formuleringen kunnen afzwakken of blokkeren. In Glasgow werd een afspraak over het uitfaseren van steenkool in de slotminuten omgebogen naar een vager afbouwpad, na een eenzijdig protest, en sindsdien klinkt de vraag of de wereld zich nog een systeem kan permitteren waarin bijna tweehonderd landen elk hun veto als onderhandelingsmiddel meenemen.
Een deel van de experts pleit voor meerderheidsbesluitvorming of voor afgeslankte onderhandeltafels, andere stemmen zien juist meer in een strenger toezicht zonder de structuur radicaal om te gooien. Zo ligt er een Braziliaans voorstel voor een door de VN gesteund klimaatpanel dat landen periodiek zou bezoeken om te controleren of nationale plannen, financieringsbeloften en uitfaseringsschema’s voor fossiele energie ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Dat idee raakt aan het diepe wantrouwen dat is ontstaan door jaren van grote woorden en half ingevulde cheques, van doelen voor klimaatfinanciering die niet werden gehaald en van ontwikkelingslanden die zich afvragen of zij zich nog langer aan nieuwe verplichtingen moeten binden als oude toezeggingen blijven hangen in communiqués.
Naast de structuurdiscussie groeit de kritiek op de omvang en uitstraling van de top zelf, want de tienduizenden aanwezigen maken van COP steeds meer een combinatie van beursvloer, lobbydorp en netwerkfestival, waar banken, bedrijven en consultants deals zoeken en zichtbaarheid kopen. Voor sommige onderhandelaars is dat nuttig, omdat technologie, kapitaal en beleid elkaar daar sneller vinden, voor anderen bevestigt het juist dat een klein aantal landen en sectoren de toon zet, terwijl kwetsbare staten na afloop terugkeren met dikke stapels papier en dunne middelen om die in beleid om te zetten.
In deze worsteling over vorm en inhoud ligt voor Suriname een kans en een waarschuwing verscholen. Als land met een relatief lage uitstoot maar een grote natuurlijke voorraad aan koolstof en biodiversiteit kan het land juist gebaat zijn bij een COP proces dat minder focust op nieuwe slogans en meer op meetbare uitvoering en handhaving, omdat dan duidelijker zichtbaar wordt welke landen hun bossen werkelijk beschermen en welke partners eerlijke financiering tegenover die inspanningen zetten. Tegelijk kan Suriname in een hervormingsdebat gemakkelijk worden weggedrukt tussen de blokken van grote economieën, wanneer het zich niet vroegtijdig organiseert met gelijkgestemde landen uit de Amazone, de Cariben en andere bosrijke regio’s.
Een toekomstig model waarin scherp wordt gekeken naar de kloof tussen beloften en praktijk biedt ruimte om dossiers als bosbehoud, klimaatbestendige kustontwikkeling en de overstap naar een waarde economie nadrukkelijker op tafel te leggen, op voorwaarde dat Suriname in de aanloop naar volgende toppen duidelijk maakt welke concrete projecten en hervormingen klaarstaan zodra financiering en technologie beschikbaar komen. Door zich in discussies over hervorming van de COP niet alleen te presenteren als morele stem, maar ook als land dat bezig is zijn eigen instituties te versterken en zijn grensgebieden beter te beschermen, kan Suriname laten zien dat een kleine staat niet aan de zijlijn hoeft te blijven wachten op besluiten, maar zelf meesleutelt aan een klimaatsysteem waarin woorden eindelijk worden gekoppeld aan uitvoer, toezicht en wederzijds vertrouwen.