De omstreden overeenkomst rond de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS) is uitgegroeid tot meer dan een juridisch geschil. De kwestie raakt aan de geloofwaardigheid van het bestuur, de omgang met publieke middelen en de verantwoordelijkheid van bewindspersonen. Jurist en oud-minister Jennifer van Dijk-Silos vindt dat minister van Justitie en Veiligheid Harish Monorath moet opstappen vanwege zijn betrokkenheid bij de overeenkomst. Haar kritiek is scherp, een minister met een juridische achtergrond kan zich niet gemakkelijk verschuilen achter onwetendheid wanneer zijn eigen handelen ter discussie staat. Monorath ondertekende de overeenkomst in zijn toenmalige functie als president-commissaris van de TAS. Volgens Van Dijk-Silos deugt het document zowel inhoudelijk als formeel juridisch niet. Daarmee ligt een fundamenteel probleem op tafel, wanneer de wet duidelijke regels stelt aan benoemingen en bevoegdheden, behoort juist een jurist te begrijpen hoe zwaar die regels wegen. Het respecteren van wettelijke procedures is geen formaliteit die naar believen kan worden overgeslagen. Het vormt de basis van behoorlijk bestuur. Van Dijk-Silos wijst erop dat de TAS-wet voorschrijft dat een directeur voor vijf jaar wordt benoemd. Daarnaast had volgens haar de bevoegde minister de overeenkomst moeten ondertekenen, niet de president-commissaris. De persoon die volgens haar bevoegd was, heeft dat niet gedaan.
Daarmee stelt zij de rechtmatigheid van de totstandkoming van de overeenkomst nadrukkelijk ter discussie. Als deze bezwaren juridisch standhouden, gaat het niet om een onschuldige administratieve vergissing. Het gaat om de vraag of overheidsfunctionarissen binnen de grenzen van hun wettelijke bevoegdheden zijn gebleven. Wie regels voor anderen moet handhaven, mag niet de indruk wekken dat diezelfde regels voor hem minder zwaar wegen. Daarbij is voorzichtigheid noodzakelijk. De kortgedingrechter heeft de overeenkomst volgens de beschikbare informatie buiten werking gesteld om ruimte te bieden aan de bestuurlijke overdracht. Dat is echter niet hetzelfde als een definitieve rechterlijke uitspraak waarin de overeenkomst nietig wordt verklaard. Van Dijk-Silos erkent dat onderscheid zelf. Voor een definitief juridisch oordeel is volgens haar een bodemprocedure nodig. Juist daarom moet de kwestie niet blijven steken in politieke verklaringen en publieke verontwaardiging. De betrokken partijen moeten de zaak aan de bevoegde rechter voorleggen, zodat duidelijk wordt of de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. Zolang die definitieve uitspraak ontbreekt, moeten beschuldigingen zorgvuldig worden onderscheiden van vastgestelde feiten. Naast de juridische bezwaren roept ook de financiële kant van de overeenkomst vragen op. Van Dijk-Silos noemt onder meer een maandelijkse vergoeding van US$ 4.000 en aanvullende voorzieningen.
Zulke voorwaarden verdienen een grondige toetsing, zeker wanneer het gaat om een instelling die een publieke taak vervult. Een hoog bedrag is op zichzelf geen bewijs van onrechtmatigheid. Maar wanneer een overeenkomst onder juridisch betwiste omstandigheden tot stand komt en tegelijk aanzienlijke financiële verplichtingen bevat, mag de samenleving volledige transparantie verwachten. Wie bepaalde vergoedingen overeenkomt, moet kunnen uitleggen op welke wettelijke grondslag ze berusten, welke prestaties ertegenover staan en wie de voorwaarden heeft goedgekeurd. Publieke middelen zijn geen privébezit van bestuurders. Staatsbedrijven en andere staatsrechtspersonen mogen geen speelruimte worden waarin afspraken buiten voldoende controle tot stand komen. De oproep van Van Dijk-Silos om ook andere overeenkomsten bij staatsbedrijven kritisch te onderzoeken, verdient daarom serieuze aandacht. Een controle die uitsluitend op deze ene zaak is gericht, kan tekortschieten als dezelfde bestuurlijke problemen elders bestaan. De politieke verantwoordelijkheid van Monorath staat los van de vraag of een bodemrechter de overeenkomst uiteindelijk nietig verklaart. Een rechter beoordeelt de juridische geldigheid, de politiek moet daarnaast beoordelen of het handelen van een bewindspersoon verenigbaar is met de normen die bij zijn ambt horen. Van Dijk-Silos vindt dat Monorath zelf ontslag had moeten aanbieden zodra zijn betrokkenheid bekend werd.
Zij verwacht bovendien dat president Simons hem de wacht zal aanzeggen. Haar redenering is dat een jurist de wet moet kunnen lezen en begrijpen en dus extra zorgvuldig moet handelen bij het aangaan van juridisch bindende afspraken. Dat is een zwaar politiek oordeel, maar het raakt aan een wezenlijk beginsel, verantwoordelijkheid mag niet pas beginnen wanneer een rechter een definitief vonnis uitspreekt. Een bewindspersoon moet ook bereid zijn uitleg te geven over zijn eigen handelen en de gevolgen daarvan voor het vertrouwen in de overheid. Van Dijk-Silos vermoedt dat Simons Monorath voorlopig zal aanhouden om de verhoudingen binnen de regeringscoalitie niet onder druk te zetten. Dat is haar inschatting, geen vastgesteld motief van de president. Toch legt die inschatting een bredere spanning bloot tussen politieke stabiliteit en bestuurlijke verantwoording. Een coalitie kan belang hebben bij rust, maar rust is geen vervanging voor integriteit. Als politieke loyaliteit zwaarder gaat wegen dan transparantie en verantwoordelijkheid, dreigt het vertrouwen in de rechtsstaat verder af te brokkelen. De TAS-affaire vraagt daarom om twee duidelijke stappen, juridische opheldering via een bodemprocedure en een onafhankelijke beoordeling van de politieke verantwoordelijkheid. De samenleving heeft recht op duidelijkheid over de overeenkomst, de financiële verplichtingen en de bevoegdheden van de betrokken functionarissen. Zonder die duidelijkheid blijft niet alleen de overeenkomst omstreden, maar ook de geloofwaardigheid van het bestuur op het spel staan.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com