In Brasilia is een opvallend Caribisch signaal afgegeven richting de landbouwagenda van het westelijk halfrond, omdat de Guyanese landbouwwetenschapper Muhammad Ibrahim is gekozen als nieuwe Directeur Generaal van IICA, het Inter Amerikaans Instituut voor Samenwerking op het Gebied van Landbouw. Hij neemt binnenkort het roer over en krijgt daarmee de taak om landen met sterk verschillende landbouwsystemen toch in één werklijn te houden, juist nu voedselketens kwetsbaar blijven voor prijsschokken, klimaatrampen en uitbraken van plagen en ziekten.
Ibrahim presenteerde zich na zijn verkiezing als een bestuurder die wetenschap, technologie en innovatie nadrukkelijker wil inzetten, en tegelijk wil voorkomen dat kleine boeren en familielandbouw uit beeld verdwijnen wanneer investeringen vooral naar grootschalige productie en exportstromen trekken. In de officiële IICA communicatie wordt die koers gekoppeld aan een harde realiteit, waarin handelsconflicten sneller kunnen opspelen, de vraag naar voedsel toeneemt en productiviteitsgroei niet vanzelf meeloopt, waardoor landen meer behoefte krijgen aan praktische technische samenwerking dan aan mooie verklaringen.
Voor Suriname komt dit moment op een strategische kruising, omdat het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij al langer met IICA werkt en tegelijk de regionale samenwerking met Brazilië zichtbaar wordt verdiept rond teelten, kennisuitwisseling en plaagbestrijding. Het is het type netwerk waar IICA voor bedoeld is, met korte lijnen tussen beleid, onderzoek en uitvoering, en met ruimte om grensoverschrijdende monitoring, training en technologieoverdracht sneller op te schalen wanneer een dreiging nog net buiten de deur staat.
De verkiezing van een Caribische kandidaat tot IICA topman wordt in de regio dan ook gelezen als een kans om thema’s als weerbare productie, voedselzekerheid en innovatie hoger op de agenda te zetten, zonder dat kleine staten telkens achteraan aansluiten. Suriname kijkt hier het scherpst naar door alvast eigen projecten zo te formuleren dat ze meetbaar en uitvoerbaar zijn, want wie met duidelijke protocollen voor plantgezondheid, data delen en veldtraining aan tafel komt, haalt sneller kennis en middelen binnen en voorkomt dat samenwerking eindigt als een persmoment zonder vervolg.