De energietransitie heeft een ongemakkelijke waarheid blootgelegd, omdat wind en zon steeds goedkoper stroom produceren, maar miljoenen huishoudens in Europa daar nog altijd onvoldoende van terugzien op hun maandelijkse rekening. De kosten van zonne energie zijn in ruim tien jaar spectaculair gedaald, wind op land behoort tot de goedkoopste bronnen van nieuwe elektriciteit, en toch ervaren burgers elektriciteit nog steeds als een zware financiële last. Dat lijkt tegenstrijdig, maar de verklaring ligt niet in de prijs van een zonnepaneel of windturbine alleen, maar in de manier waarop markten, netwerken, gascentrales, belastingen en oude beleidskosten samen de eindfactuur vormen.
Elektriciteit wordt in veel Europese markten verhandeld via een systeem waarin de goedkoopste centrales eerst worden ingezet en de duurste centrale die nog nodig is uiteindelijk de marktprijs bepaalt. Zon en wind hebben na de bouw bijna geen brandstofkosten, waardoor zij dure centrales uit de markt kunnen drukken wanneer er voldoende productie is. Op dagen met veel wind of zon kan de groothandelsprijs daardoor hard dalen, en in landen met veel duurzame productie kan stroom tijdelijk zelfs minder dan niets waard worden op de markt.
Spanje laat zien hoe krachtig dat effect kan zijn, omdat duurzame bronnen daar een groot deel van de elektriciteit leveren en de groothandelsprijzen regelmatig veel lager liggen dan in landen die sterker afhankelijk blijven van gas. Toch betekent een lage groothandelsprijs niet automatisch een lage rekening voor gezinnen, omdat burgers niet alleen betalen voor de stroom zelf. De rekening bevat ook netwerkkosten, belastingen, leveranciersmarges, beleidsheffingen, oude subsidies, aansluitkosten en de dure verbouwing van een elektriciteitssysteem dat jarenlang voor fossiele centrales werd ontworpen.
Duitsland en Spanje kunnen allebei veel duurzame stroom produceren, maar huishoudens kunnen toch zeer verschillende prijzen betalen omdat hun nationale kostenstructuur anders is. Noorwegen profiteert van goedkope waterkracht en relatief lage huishoudprijzen, terwijl Denemarken ondanks veel windcapaciteit met hoge lasten en systeemkosten te maken heeft. De consument ziet dus niet alleen de prijs van elektriciteitsproductie, maar ook de rekening van politieke keuzes, infrastructuur, marktregels en historische afspraken die diep in het energiesysteem zijn ingebouwd.
Het gasprobleem blijft daarbij de grote verborgen motor achter dure stroom, omdat gascentrales in veel Europese landen nog steeds vaak nodig zijn om de laatste vraag te dekken. Zodra een gascentrale de laatste noodzakelijke producent is, bepaalt zij onder het bestaande marktmodel de prijs voor alle elektriciteit, ook voor wind en zon die veel goedkoper produceren. Daardoor kon de gascrisis tussen 2021 en 2023 de Europese stroomprijzen opjagen, zelfs in landen die al fors hadden geïnvesteerd in duurzame energie.
De Spaanse ervaring laat echter ook zien hoe landen minder kwetsbaar worden wanneer gas minder vaak de prijs bepaalt. In Spanje beïnvloedde gas in het begin van 2026 slechts een beperkt deel van de uren de elektriciteitsprijs, terwijl landen als Italië veel sterker aan gasprijzen vast bleven zitten. De echte prijsdaling door duurzame energie ontstaat dus niet alleen doordat windmolens en zonnepanelen goedkoop produceren, maar doordat zij het aantal uren verminderen waarin dure gascentrales de markt gijzelen.
Daar begint de bredere systeemvraag, omdat de elektriciteitsmarkt is ontworpen voor een tijd waarin de meeste centrales brandstofkosten hadden en productie beter stuurbaar was. Wind en zon werken anders, omdat zij afhankelijk zijn van weer, locatie en netcapaciteit, waardoor extra investeringen nodig zijn in transmissielijnen, opslag, flexibiliteit, digitale sturing en reservevermogen. De goedkope kilowattuur uit een zonnepark wordt pas werkelijk goedkoop voor de burger wanneer het net sterk genoeg is om die stroom op het juiste moment naar de juiste plaats te brengen.
De wereld loopt juist op dat punt tegen een harde infrastructuurmuur aan, omdat duizenden gigawatt aan duurzame projecten, opslag en grote elektriciteitsvragers vastzitten in wachtrijen voor netaansluiting. Batterijen groeien snel en netinvesteringen nemen toe, maar de achterstand is zo groot dat landen niet alleen meer panelen en turbines nodig hebben, maar ook monteurs, transformatoren, vergunningen, kabels, planning en politieke snelheid. De energietransitie is technisch goedkoper geworden, maar bestuurlijk en logistiek veel ingewikkelder dan het simpele verhaal van goedkope zon en wind doet vermoeden.
Suriname kan uit deze Europese spanning een belangrijke waarschuwing halen, omdat goedkope opwekking alleen geen garantie is voor betaalbare stroom wanneer netwerkbeheer, subsidies, brandstofafhankelijkheid, onderhoud en tariefstructuur niet tegelijk worden hervormd. Een regering die duurzame energie serieus wil inzetten, moet niet alleen panelen plaatsen en projecten aankondigen, maar ook investeren in netcapaciteit, opslag, slimme meters, transparante tarieven en minder afhankelijkheid van geïmporteerde brandstoffen. De echte winst ontstaat pas wanneer goedkope productie wordt gekoppeld aan sterke infrastructuur en een beleid dat voorkomt dat oude kosten de nieuwe energie blijven verstikken.
De kern van de Europese rekening is daarom niet dat duurzame energie te duur is, maar dat het systeem rond duurzame energie nog onvoldoende is vernieuwd. Zonnepanelen en windturbines hebben de productiekosten naar beneden geduwd, maar gasafhankelijkheid, verouderde netten, beleidsheffingen en trage marktregels houden de eindprijs hoog. De komende jaren zullen niet bewijzen of wind en zon goedkoop kunnen zijn, maar of regeringen de moed hebben om het hele energiesysteem zo te verbouwen dat burgers die goedkope stroom eindelijk terugzien op hun rekening.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com