Suriname heeft tijdens de VN-Biodiversiteitsconferentie COP17 in Jerevan, Armenië, opnieuw aangedrongen op eerlijke, tijdige en voorspelbare internationale financiering voor landen die hun natuurlijke ecosystemen beschermen. De boodschap van minister Patrick Brunings van Olie, Gas en Milieu was duidelijk, landen die hun bossen, mangroven en andere ecosystemen intact houden, mogen niet alleen opdraaien voor de kosten van natuurbehoud, terwijl de voordelen daarvan wereldwijd worden genoten. De politieke oproep legt tegelijkertijd een hardnekkig probleem bloot binnen het internationale biodiversiteitsbeleid. Hoewel landen ambitieuze afspraken maken over bescherming van de natuur, blijft de financiële ondersteuning voor ontwikkelingslanden achter bij de verwachtingen. Voor Suriname, dat beschikt over uitgestrekte bossen en kwetsbare kustecosystemen, is dat verschil tussen internationale ambities en concrete middelen van groot belang. Tijdens het High-Level Segment benadrukte Brunings de ecologische waarde van Surinames bossen en mangrovegebieden. Deze ecosystemen dragen bij aan biodiversiteit, klimaatregulering en bescherming tegen de gevolgen van zeespiegelstijging.
Ook wees hij op de belangrijke rol van Inheemse en Tribale Volken bij het beheer en behoud van natuurlijke gebieden. Suriname beroept zich daarbij op artikel 20 van het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD), waarin ontwikkelde landen zich verbinden tot het beschikbaar stellen van nieuwe en aanvullende financiële middelen voor ontwikkelingslanden. De juridische basis voor internationale ondersteuning bestaat daarmee al langer. De uitdaging ligt vooral in de daadwerkelijke uitvoering van die verplichtingen. In een interview met het Armeense persbureau Armenpress wees Brunings op ongereguleerde goudwinning en stroperij als belangrijke bedreigingen voor de Surinaamse natuur. Daarnaast vormt klimaatverandering een groeiend risico. Als laaggelegen kustland is Suriname bijzonder kwetsbaar voor zeespiegelstijging, waardoor mangroven niet alleen ecologisch, maar ook economisch en maatschappelijk van strategisch belang zijn. De minister benadrukte eveneens de samenhang tussen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies. Hogere temperaturen kunnen landbouw, bossen en gemeenschappen die afhankelijk zijn van natuurlijke hulpbronnen onder druk zetten.
Internationale samenwerking is volgens hem daarom onmisbaar. De mogelijke inzet van toekomstige olie en gasinkomsten voor langdurige bosbescherming werd eveneens genoemd als onderdeel van zijn beleidsvisie. Dat is echter geen besluit van COP17 en biedt op zichzelf geen garantie op structurele financiering van natuurbehoud. Suriname heeft zijn Nationale Biodiversiteitsstrategie en Actieplan 2024–2035 afgestemd op het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework en zijn zevende nationale biodiversiteitsrapport ingediend. Daarmee heeft het land stappen gezet om de internationale biodiversiteitsdoelen nationaal te vertalen. De eerste gezamenlijke beoordeling tijdens COP17 van de voortgang richting de 23 mondiale biodiversiteitsdoelen voor 2030 liet echter zien dat de wereld onvoldoende op koers ligt. De aangenomen Yerevan Pathway moet de uitvoering versnellen, met nadruk op nationale actieplannen, financiële en technische ondersteuning, wetenschappelijke samenwerking en betere monitoring. Maar ook deze afspraken lossen het financieringsprobleem niet onmiddellijk op. COP17 stelde criteria vast voor de toekomstige permanente inrichting van het financiële mechanisme van het biodiversiteitsverdrag. De institutionele uitwerking wordt pas tijdens COP18 verder bepaald. Een concrete garantie op meerjarige, voorspelbare financiering voor landen die ecosystemen beschermen, ontbreekt daarmee nog steeds.
Ook rond het Cali Fund blijft de financiële werkelijkheid achter bij de verwachtingen. Het fonds moet bijdragen aan een eerlijkere verdeling van voordelen uit het gebruik van digitale genetische informatie van planten, dieren en andere organismen. COP17 nam besluiten over de verdere uitvoering en stelde een methode vast voor de toekomstige verdeling van middelen. De indicatieve bijdragen van bedrijven, één procent van de winst of 0,1 procent van de omzet, blijven echter vrijwillig. De daadwerkelijke financiële bijdragen zijn vooralsnog beperkt. Voor landen als Suriname, die beschikken over een uitzonderlijke biodiversiteit, betekent dit dat economische voordelen uit genetische informatie niet automatisch leiden tot substantiële inkomsten voor natuurbehoud. Een belangrijke ontwikkeling tijdens COP17 is de vaststelling van de Sevan Guidelines, de operationele regels voor het permanente orgaan onder artikel 8(j) van het biodiversiteitsverdrag.
Daarmee wordt de deelname van Inheemse volken en lokale gemeenschappen aan internationaal biodiversiteitsbeleid versterkt. Voor Suriname is dit relevant vanwege de betekenis van traditionele kennis en de betrokkenheid van gemeenschappen bij duurzaam natuurbeheer. Die erkenning moet uiteindelijk ook leiden tot daadwerkelijke invloed, ondersteuning en bescherming van de rechten van deze gemeenschappen. COP17 nam daarnaast besluiten over beschermde gebieden, bosbiodiversiteit, duurzaam beheer van wilde dieren en mariene en kustbiodiversiteit. Aanvullende indicatoren voor monitoring en rapportage blijven vrijwillig, met ruimte voor nationale omstandigheden. De uitkomst van COP17 biedt Suriname nieuwe aanknopingspunten voor biodiversiteitsbeleid, maar geen financiële doorbraak. De internationale gemeenschap erkent steeds nadrukkelijker het belang van natuurbehoud, terwijl de middelen om die bescherming daadwerkelijk te realiseren onzeker blijven. Voor Suriname blijft daarmee een fundamentele uitdaging bestaan, internationale erkenning omzetten in concrete ondersteuning, zonder de nationale zeggenschap over zijn natuurlijke rijkdommen uit handen te geven.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com