De uitspraak van minister Diana Pokie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting dat leerkrachten en politieagenten tegenwoordig op de stoep van Sociale Zaken te vinden zijn, zou in een goed functionerende samenleving als een alarmsignaal moeten klinken. Het is namelijk niet de taak van Sociale Zaken om de middenklasse en werkende ambtenaren op te vangen omdat hun inkomen onvoldoende is om een normaal bestaan te leiden. Toch lijkt precies dat steeds meer de realiteit te worden. De minister bevestigt daarmee indirect hoe diep de economische malaise in Suriname inmiddels heeft toegeslagen. Mensen die iedere dag voor de overheid werken, onderwijs geven, de openbare orde bewaken en essentiële diensten draaiende houden, blijken steeds vaker moeite te hebben om financieel overeind te blijven. Dat zij vervolgens een beroep moeten doen op voorzieningen die oorspronkelijk bedoeld zijn voor de meest sociaal kwetsbare groepen, is geen succesverhaal van sociaal beleid. Het is het bewijs dat het systeem steeds verder onder druk komt te staan. Nog schrijnender is dat ambtenaren aanvragen indienen voor bouwsubsidies die in principe bestemd zijn voor mensen die daadwerkelijk in het sociaal bestand van het ministerie voorkomen.
De grens tussen sociaal zwak en werkend maar financieel uitgeput vervaagt daarmee in hoog tempo. Minister Pokie spreekt over de noodzaak om creatief om te gaan met de schaarse staatsmiddelen. Maar creativiteit kan geen structureel economisch beleid vervangen. Wanneer de overheid steeds meer groepen moet ondersteunen die met hun reguliere inkomen niet meer rondkomen, is er sprake van een fundamenteel probleem. Dan is niet alleen de vraag hoeveel subsidie beschikbaar is van belang, maar vooral waarom zoveel burgers überhaupt afhankelijk worden van die subsidie. De brandstofsubsidie vormt ondertussen een van de grootste financiële vraagstukken. De regering trekt volgens president Jennifer Simons maandelijks ongeveer SRD 300 miljoen uit om de brandstofprijs voor de samenleving te dempen. Dat betekent dat de consument aan de pomp niet de werkelijke prijs betaalt. Het verschil wordt uiteindelijk door de staat gedragen. Dat klinkt sociaal verantwoord, maar de rekening verdwijnt daarmee niet. Ze wordt slechts verplaatst. De overheid betaalt vandaag om de pijn aan de pomp te beperken, terwijl de financiële druk zich opstapelt binnen de staatsbegroting. Tegelijkertijd zijn er salarisverhogingen toegekend aan ambtenaren en gelijkgestelden. Daarmee wordt de druk op de overheidsfinanciën nog groter.
De regering probeert dus tegelijkertijd brandstofprijzen kunstmatig laag te houden, inkomens te verhogen en kwetsbare groepen te blijven ondersteunen, terwijl de beschikbare staatsmiddelen beperkt zijn. De president heeft terecht gewezen op de gevaren voor productie en transport wanneer brandstofprijzen fors stijgen. Een plotselinge verhoging kan inderdaad leiden tot hogere transportkosten, duurdere producten en verdere inflatie. Maar een structurele brandstofsubsidie is evenmin gratis. Als de staat honderden miljoenen SRD per maand blijft bijpassen, wordt daarmee geld gebruikt dat ook nodig is voor onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, sociale bescherming en andere publieke voorzieningen. Daar komt nog bij dat de regering de internationale ontwikkelingen als belangrijke reden aanvoert voor de onzekerheid rond de brandstofprijs. De oorlog tussen de Verenigde Staten en Iran zou de wereldwijde energieprijzen verder kunnen beïnvloeden. Voor Suriname betekent dat een extra risico. Maar juist daarom is het gevaarlijk om een economisch beleid te voeren dat sterk afhankelijk blijft van subsidies. Een regering kan niet telkens de werkelijkheid voor de burger blijven verbergen achter een gesubsidieerde prijs. De brandstofprijs aan de pomp is slechts het zichtbare deel van het probleem. Daarachter zit een samenleving waarin werknemers met een vast salaris steeds moeilijker kunnen rondkomen.
Als leerkrachten en politieagenten zich op de stoep van Sociale Zaken begeven voor ondersteuning, is dat een duidelijke aanwijzing dat de koopkracht ernstig is uitgehold. Het meest verontrustende is dat dit vervolgens dreigt te worden behandeld als een normaal uitvoeringsprobleem. Alsof er simpelweg meer aanvragen moeten worden verwerkt en de overheid wat creatiever met geld moet omgaan. Wanneer werkende burgers afhankelijk worden van sociale voorzieningen, moet de regering niet alleen kijken naar subsidies, maar naar de structurele oorzaken, lage koopkracht, stijgende kosten, een dure overheid, beperkte productie en een economie die onvoldoende waarde creëert om brede welvaart te dragen. Suriname kan niet blijven leven op subsidies, tijdelijke maatregelen en politieke geruststellingen. De brandstofsubsidie kan de klap verzachten, maar ze kan de economische realiteit niet wegpoetsen. De situatie bij Sociale Zaken maakt dat pijnlijk zichtbaar. De stoep van het ministerie wordt steeds voller, terwijl de staatskas steeds leger raakt. Dat is geen sociaal beleid dat werkt. Dat is een economisch systeem dat steeds meer mensen richting het sociale vangnet duwt. En zolang de regering geen structurele oplossing biedt voor de dalende koopkracht en de groeiende afhankelijkheid van staatssteun, zal de groep die bescherming nodig heeft alleen maar groter worden.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com