De slepende crisis bij de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS) legt ernstige tekortkomingen in het bestuur van het instituut bloot. President Simons benadrukt dat de wet leidend moet zijn bij het oplossen van het conflict tussen de directeur en de raad van commissarissen (RvC). Die uitleg mag juridisch relevant zijn, maar neemt de kern van het probleem niet weg, een bestuursconflict dat al maanden voortduurt, heeft inmiddels geleid tot een openlijke machtsstrijd en onzekerheid over de leiding van een belangrijke toezichthouder. In haar verklaring stelt Simons dat de kwestie herhaaldelijk met betrokken partijen op haar kabinet is besproken. Zowel de RvC als de directeur zou bereid zijn geweest mee te werken aan een onderzoek naar de ontstane problemen. Toch is dat onderzoek niet van de grond gekomen. Dat is een veelzeggend gegeven. Wanneer partijen overeenstemming zeggen te hebben over de noodzaak van onderzoek, maar vervolgens geen concrete stappen zetten, rijst de vraag waarom bestuurlijke besluitvorming zo lang is blijven steken. De president presenteert de wettelijke bepalingen als het uitgangspunt voor de huidige situatie. Volgens haar is de benoemingstermijn van de directeur verstreken. Een resolutie bepaalde dat zij tot en met 20 oktober directeur was. Daarmee is volgens Simons de juridische basis voor haar voortzetting in die functie weggevallen.
De Wet Telecommunicatievoorzieningen bepaalt dat de TAS onder leiding staat van een directeur die op voordracht van de minister, na goedkeuring door de Raad van Ministers, door de president wordt benoemd, geschorst of ontslagen. De benoeming geldt voor vijf jaar. Simons stelt dat deze procedure niet naar eigen inzicht kan worden omzeild. Daarmee trekt zij een duidelijke grens, politieke afspraken of informele toezeggingen kunnen de wettelijke benoemingsprocedure niet vervangen. Die redenering klinkt principieel, maar het beroep op de wet is op zichzelf geen bewijs van goed bestuur. Juist van een regering mag worden verwacht dat zij niet alleen de regels correct toepast, maar ook tijdig ingrijpt wanneer een overheidsinstituut langdurig wordt verlamd door interne conflicten. De wet kan duidelijkheid bieden over bevoegdheden en termijnen, maar verklaart niet waarom een conflict maandenlang kon escaleren zonder dat een werkbare oplossing werd bereikt. Ook de positie van de raad van commissarissen vraagt om nadere juridische en bestuurlijke duidelijkheid. Simons verwijst naar de wettelijke bepaling dat de raad het bestuur tijdelijk overneemt wanneer zowel een directeur als onderdirecteuren ontbreken. Volgens haar verklaart dat waarom de RvC naar het kantoor van de TAS is gegaan. De praktische toepassing van die bepaling lijkt echter onderdeel te zijn geworden van het conflict.
Zolang de overdracht wordt betwist en de kwestie voor de rechter ligt, is voorzichtigheid geboden met stellige conclusies over de rechtmatigheid van alle genomen stappen. Opvallend is dat Simons nadrukkelijk afstand neemt van berichten dat zij ermee zou hebben ingestemd dat de huidige directeur mocht aanblijven. Volgens de president heeft zij een dergelijke toezegging nooit gedaan en kan zij niet zelfstandig buiten de wettelijke procedure om beslissen over de aanstelling. Zij zegt uitsluitend te hebben aangegeven dat eerst een onderzoek moet plaatsvinden voordat zij een resolutie voor een volgende directeur ondertekent. Daarmee legt de president een extra voorwaarde op aan de benoemingsprocedure. Haar motief is kennelijk dat de onderliggende problemen eerst onderzocht moeten worden voordat een nieuwe leidinggevende wordt aangesteld. Dat is verdedigbaar vanuit het oogpunt van verantwoord bestuur. Tegelijkertijd roept deze aanpak vragen op over de praktische gevolgen. Als een onderzoek noodzakelijk wordt geacht, moet ook duidelijk zijn wie het uitvoert, binnen welke termijn de resultaten worden verwacht en hoe wordt voorkomen dat het instituut ondertussen verder wordt verzwakt. Een onderzoek aankondigen is immers niet hetzelfde als een onderzoek uitvoeren. Zonder een concreet tijdpad, een onafhankelijke aanpak en transparante communicatie dreigt de eis van onderzoek zelf een nieuwe bron van vertraging te worden.
De TAS heeft behoefte aan een rechtsgeldige leiding, heldere verantwoordelijkheden en herstel van vertrouwen. Dat vereist meer dan een verwijzing naar wettelijke bepalingen. De president stelt dat zij zich niet met personen, maar met wet en regelgeving bezighoudt. In beginsel is dat een juiste bestuurlijke houding. Toch kan de overheid zich niet volledig achter juridische procedures verschuilen wanneer haar eigen instellingen langdurig in een impasse verkeren. Wetmatig handelen en daadkrachtig besturen zijn geen tegenpolen. Een regering moet beide kunnen waarmaken. De RvC heeft inmiddels een kort geding aangespannen om de overdracht te bewerkstelligen. Simons zegt de rechterlijke uitspraak af te wachten en hoopt dat de situatie daarna kan worden genormaliseerd. De rechter moet nu duidelijkheid helpen scheppen over het geschil. Maar zelfs een uitspraak zal de bredere bestuurlijke tekortkomingen niet automatisch herstellen. De TAS crisis is daarmee meer dan een conflict over de positie van één directeur. Zij legt bloot hoe gebrekkige besluitvorming, uitblijvend onderzoek en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden een overheidsinstituut kunnen ontregelen. Simons beroept zich op de wet als fundament voor herstel. De werkelijke toets voor haar regering ligt echter in de uitvoering, hoe snel er duidelijkheid komt, hoe onafhankelijk het onderzoek verloopt en of wordt voorkomen dat een vergelijkbare bestuurscrisis zich opnieuw voordoet. Zolang die resultaten uitblijven, blijft de vraag naar bestuurlijke verantwoordelijkheid onbeantwoord.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com