Suriname heeft tijdens de 81ste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York opnieuw gepleit voor rechtvaardige klimaatfinanciering voor landen die hun bossen beschermen. Minister Melvin Bouva van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking (BIS) benadrukt dat Suriname minimaal 90 procent van zijn bosbedekking wil behouden. Daartegenover moet volgens hem een grotere financiële verantwoordelijkheid staan van de geïndustrialiseerde wereld. Die mededeling klinkt steeds nadrukkelijker, maar legt tegelijk een hardnekkig probleem zichtbaar, Suriname beschermt een mondiaal waardevol ecosysteem, terwijl de financiële opbrengst daarvan voor het land vooralsnog ver achterblijft bij de economische waarde die het bos vertegenwoordigt. Suriname behoort tot de meest bosrijke landen ter wereld. Het behoud van dat bos levert niet alleen nationale voordelen op, maar draagt ook bij aan klimaatregulering, biodiversiteit en de mondiale koolstofbalans. Toch is het internationale financiële systeem nog onvoldoende ingericht om landen die deze ecologische verantwoordelijkheid dragen daar structureel en voorspelbaar voor te belonen. Minister Bouva wil daarom samen met gelijkgezinde landen de onderhandelingen over klimaatfinanciering voortzetten.
Daarbij moet de waarde van het Surinaamse bos en de biodiversiteit beter worden vertaald naar duurzame financiële middelen. Dat is noodzakelijk, omdat bosbehoud zonder een economisch perspectief voor Suriname uiteindelijk moeilijk vol te houden is. De toezegging om minimaal 90 procent van de bosbedekking te behouden, mag dan internationaal aantrekkelijk klinken, maar brengt ook verplichtingen met zich mee. Suriname moet zich economisch blijven ontwikkelen, terwijl grote delen van het land onder druk staan van activiteiten die inkomsten en werkgelegenheid opleveren. Bosbehoud kan daarom niet worden gereduceerd tot het simpelweg afsluiten van gebieden voor economische activiteiten. Bouva benadrukt terecht dat ontwikkeling in bosgebieden niet volledig moet worden uitgesloten. De kern ligt in het vinden van een evenwicht tussen economische ontwikkeling en natuurbescherming. Dat betekent echter ook dat Suriname zelf duidelijker moet aangeven hoe het bos economisch kan worden benut zonder het ecologische fundament aan te tasten. Alleen wijzen naar buitenlandse financiering is onvoldoende. Daarbij is de positie van lokale gemeenschappen cruciaal.
Als klimaatfinanciering uiteindelijk alleen via de centrale overheid loopt, bestaat het risico dat degenen die dagelijks bijdragen aan het behoud van het bos daar nauwelijks iets van terugzien. Gemeenschappen in en rond het bos moeten daarom rechtstreeks kunnen profiteren van inkomsten uit natuurbehoud, duurzame bosbouw, biodiversiteit en andere vormen van de groene economie. Ook de eerder toegezegde US$ 20 miljoen voor natuurbehoud staat opnieuw in de schijnwerpers. Volgens Bouva blijft dit bedrag beschikbaar en werkt Suriname aan de verdere concretisering ervan, onder meer via wetgeving en plannen. Maar zelfs als de volledige US$ 20 miljoen beschikbaar komt, blijft het bedrag vooral symbolisch wanneer het wordt afgezet tegen de omvang van de ecologische waarde die Suriname internationaal in stand houdt. De uitspraak van Bouva dat onze bos veel meer waard is, raakt daarmee een belangrijk punt. De discussie moet niet alleen gaan over hoeveel geld Suriname ontvangt, maar ook over de vraag hoe het land zijn natuurlijke kapitaal internationaal weet te verzilveren. Daarvoor zijn betrouwbare data, transparante systemen, duidelijke eigendoms en gebruiksrechten en een geloofwaardig nationaal beleid noodzakelijk.
Klimaatdiplomatie krijgt onder de regering een prominenter plaats binnen het buitenlands beleid. Dat biedt Suriname kansen, maar alleen wanneer diplomatie wordt gekoppeld aan concrete economische resultaten. Internationale conferenties en politieke verklaringen leveren op zichzelf geen inkomsten op. Het uiteindelijke succes zal moeten blijken uit langjarige financiering, investeringen en inkomsten die daadwerkelijk terechtkomen bij de staat en bij de gemeenschappen die het bos beschermen. Suriname beschikt daarmee over een belangrijk diplomatiek en economisch instrument. Het bos is niet slechts een verplichting die het land aan de internationale gemeenschap heeft. Het is ook een strategisch nationaal bezit. Zolang de internationale gemeenschap profiteert van de klimaatdiensten die Suriname levert zonder daarvoor een evenredige vergoeding te bieden, blijft de balans scheef. De inzet van Paramaribo moet daarom verder gaan dan het vragen om meer klimaatgeld. Suriname zal moeten afdwingen dat bosbehoud wordt behandeld als een economische dienst met een concrete financiële waarde. Pas wanneer bescherming van het bos structureel meer oplevert dan vernietiging ervan, krijgt de belofte van 90 procent bosbehoud een werkelijk duurzaam fundament.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com