De voorbereiding van Suriname op zijn vierde Universal Periodic Review krijgt steeds meer gewicht nu het land richting een nieuwe beoordeling van zijn mensenrechtenbeleid gaat, waarbij niet alleen zal worden gekeken naar wat de regering internationaal belooft, maar vooral naar hetgeen sinds de vorige beoordeling daadwerkelijk is uitgevoerd. Minister Melvin Bouva van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking heeft op donderdag 16 juli de regionale vertegenwoordiger van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Michelle Brathwaite, en National Human Rights Officer Reba Granado John ontvangen, waarbij Suriname opnieuw zijn bereidheid heeft uitgesproken om nauw met de Verenigde Naties samen te werken. Achter het diplomatieke karakter van dat onderhoud ligt echter een veel fundamentelere vraag, namelijk of het land eindelijk in staat zal zijn zijn internationale mensenrechtenverplichtingen om te zetten in permanent functionerende nationale instituties.
De Universal Periodic Review is daarbij veel meer dan een diplomatiek rapport dat periodiek in Genève wordt besproken, omdat binnen dit systeem alle VN lidstaten elkaars mensenrechtensituatie beoordelen en aanbevelingen formuleren die vervolgens door het onderzochte land moeten worden opgevolgd. Suriname doorliep zijn vorige cyclus in november 2021 en bereidt zich inmiddels voor op de volgende beoordeling in november 2026. Tijdens de vorige cyclus presenteerde het land zichzelf als een stabiele democratie die zich bleef inzetten voor mensenrechten, behoorlijk bestuur en de rechtsstaat, maar erkende het tegelijkertijd dat verschillende structurele problemen meer tijd, financiële middelen, technische expertise en betere gegevensverzameling vereisten.
De technische ondersteuning van het OHCHR bij het opstellen van het nieuwe nationale rapport is daarom belangrijk, omdat internationale mensenrechtenverplichtingen tegenwoordig niet meer geloofwaardig kunnen worden behandeld met algemene beleidsverklaringen alleen. Een regering moet kunnen aantonen welke aanbevelingen zijn uitgevoerd, welke wetten zijn gewijzigd, welke instituten functioneren, hoeveel middelen daarvoor beschikbaar zijn gesteld en welke meetbare resultaten zijn bereikt. Suriname heeft zelf eerder tegenover de Verenigde Naties erkend dat betrouwbare kwalitatieve en kwantitatieve gegevens nog onvoldoende beschikbaar zijn en dat vooral bij verdragsrapportages betere systemen voor dataverzameling nodig zijn. Zonder dergelijke informatie wordt mensenrechtenbeleid moeilijk meetbaar en kan een overheid nauwelijks overtuigend aantonen dat beleid buiten Paramaribo of onder kwetsbare groepen daadwerkelijk effect heeft.
Minister Bouva benadrukte tijdens het onderhoud daarom terecht het belang van capaciteitsversterking binnen de overheid, waarbij een tweedaagse workshop van het OHCHR onderdeel vormt van de voorbereiding van het nationale rapport. Die ondersteuning kan ambtenaren beter leren rapporteren, aanbevelingen koppelen aan beleid en verschillende ministeries dwingen informatie systematischer bijeen te brengen, maar de werkelijke waarde ontstaat pas wanneer die kennis na de internationale beoordeling binnen het staatsapparaat behouden blijft. Mensenrechtenrapportage die iedere paar jaar opnieuw afhankelijk wordt van tijdelijke werkgroepen, externe deskundigheid en haastig verzamelde informatie produceert rapporten, maar bouwt nog geen institutioneel geheugen.
Het meest gevoelige onderwerp tijdens het overleg is daarom de verdere ontwikkeling van een onafhankelijke nationale mensenrechteninstelling volgens de zogenoemde Paris Principles, omdat Suriname daar al jarenlang over spreekt zonder dat het proces volledig is afgerond. De Verenigde Naties hebben herhaaldelijk aangedrongen op een instelling met een breed mandaat, voldoende financiële en menselijke middelen, institutionele onafhankelijkheid en ruimte om klachten van burgers en maatschappelijke organisaties te behandelen. Een dergelijke instantie behoort geen verlengstuk van een ministerie te zijn, maar moet juist voldoende afstand tot de regering hebben om ook het optreden van diezelfde overheid kritisch te kunnen onderzoeken.
Dat dossier krijgt extra betekenis omdat een VN comité in 2026 opnieuw heeft vastgesteld dat Suriname nog altijd geen nationale mensenrechteninstelling bezit die volledig aan de Paris Principles voldoet. Het comité adviseerde niet alleen om zo’n instituut daadwerkelijk op te richten, maar ook om het voldoende personeel, technische expertise en financiering te geven en vervolgens internationale accreditatie aan te vragen. Eerdere VN beoordelingen wezen eveneens op vertragingen rond de wettelijke basis en op de noodzaak van een open en transparant proces waarbij maatschappelijke organisaties en Inheemse en Tribale Volken daadwerkelijk worden betrokken. Daarmee wordt de vierde UPR onvermijdelijk ook een moment waarop zal worden gevraagd waarom een institutionele hervorming die jarenlang is aangekondigd nog steeds onderwerp van voorbereiding is.
De Paris Principles zijn daarbij geen administratief keurmerk dat eenvoudig met een presidentieel besluit of nieuwe afdeling kan worden verkregen, omdat onafhankelijkheid juist de kern vormt. Een geloofwaardige nationale mensenrechteninstelling moet klachten kunnen onderzoeken zonder politieke toestemming, zelfstandig prioriteiten kunnen bepalen, toegang hebben tot voldoende informatie, maatschappelijke organisaties kunnen betrekken en beschikken over een financieringsstructuur die voorkomt dat kritische onderzoeken financieel kunnen worden afgestraft. Een mensenrechteninstituut dat organisatorisch bestaat maar in de praktijk afhankelijk blijft van degene die het moet controleren, lost het fundamentele probleem niet op.
Ook betere rapportage over internationale verdragen verdient meer aandacht, omdat mensenrechten niet uit één algemene categorie bestaan. Suriname rapporteert afzonderlijk over onder meer burgerlijke en politieke rechten, vrouwenrechten, kinderrechten, rassendiscriminatie en rechten van personen met een beperking, waardoor verschillende ministeries voortdurend gegevens moeten verzamelen en aanbevelingen moeten uitvoeren. Het land heeft in eerdere rapportages zelf aangegeven dat samenwerking tussen ministeries en betere informatietechnologie noodzakelijk zijn om dit proces betrouwbaarder te maken. Een permanent nationaal mechanisme voor implementatie, rapportage en opvolging zou daardoor kunnen voorkomen dat aanbevelingen versnipperd raken over ministeries zonder dat iemand uiteindelijk verantwoordelijk is voor het totale resultaat.
Mensenrechteneducatie, eveneens besproken tijdens het onderhoud, behoort daarbij niet uitsluitend te worden gezien als voorlichting aan burgers, omdat vooral degenen die namens de staat macht uitoefenen structureel moeten begrijpen welke grenzen aan die macht zijn verbonden. Politieagenten, gevangenispersoneel, beleidsmakers, leerkrachten, zorgmedewerkers en bestuursambtenaren nemen dagelijks beslissingen die rechtstreeks raken aan vrijheid, gelijkheid, privacy, menselijke waardigheid en toegang tot publieke voorzieningen. Een samenleving waarin mensenrechten hoofdzakelijk tijdens internationale workshops worden besproken, maar onvoldoende zijn ingebouwd in dagelijkse besluitvorming, creëert een verschil tussen de juridische werkelijkheid op papier en de ervaring van burgers in de praktijk.
De vierde UPR biedt Suriname daarom een mogelijkheid die veel groter is dan het succesvol indienen van een nationaal rapport, omdat het land de komende maanden kan gebruiken om precies zichtbaar te maken welke aanbevelingen zijn uitgevoerd, welke nog openstaan, wie daarvoor verantwoordelijk is en binnen welke termijn achterstanden worden weggewerkt. De nationale mensenrechteninstelling verdient daarbij prioriteit, samen met een permanent systeem voor dataverzameling en opvolging, omdat juist die infrastructuur ervoor zorgt dat mensenrechtenbeleid niet afhankelijk blijft van de politieke belangstelling van een individuele minister of regering. Transparante betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, Inheemse en Tribale gemeenschappen, deskundigen en andere belanghebbenden kan het rapport daarnaast sterker maken dan een document dat voornamelijk binnen ministeriële kamers wordt voorbereid.
De werkelijke waarde van de samenwerking met de Verenigde Naties zal uiteindelijk daarom niet worden bepaald door het aantal workshops, bezoeken of zorgvuldig geformuleerde verklaringen, maar door de vraag of een burger die meent dat zijn rechten zijn geschonden binnen Suriname toegang heeft tot sterke, onafhankelijke en betrouwbare instituties. Genève kan aanbevelingen geven, technische deskundigheid aanbieden en internationale druk uitoefenen, maar de bescherming van mensenrechten vindt uiteindelijk plaats in politiebureaus, rechtbanken, scholen, ziekenhuizen, bestuurskantoren en gemeenschappen verspreid over het land. Een staat bewijst zijn betrokkenheid bij mensenrechten niet wanneer hij er internationaal overtuigend over rapporteert, maar wanneer zijn eigen burgers die rechten ook daadwerkelijk kunnen herkennen, opeisen en beschermen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com