Het recente incident rond het Wiskunde 1-examen op de middelbare scholen heeft opnieuw blootgelegd hoe kwetsbaar en inconsistent het onderwijs- en examenstelsel functioneert. Leerlingen hebben melding gemaakt dat een examenvraag niet in overeenstemming is met de officieel voorgeschreven leerstof. Dat is geen kleine onvolkomenheid, maar een serieuze aantasting van de betrouwbaarheid van het eindexamensysteem zelf. Een examen hoort een zuivere toetsing te zijn van wat daadwerkelijk is onderwezen, zodra daar twijfel over ontstaat, komt de waarde van het diploma onder druk te staan. Het ministerie heeft de kwestie inmiddels voorgelegd aan de vakcommissie en benadrukt dat een eventuele beslissing niet nadelig mag uitvallen voor de leerlingen. Dat uitgangspunt is terecht, maar het blijft een symptoombenadering. Het probleem is niet alleen hoe men deze specifieke fout oplost, maar vooral hoe het mogelijk is dat zo’n fout in een officieel examen terechtkomt.
Dat wijst op tekortschietende controle, gebrekkige afstemming tussen leerplan en examenvragen of onvoldoende eindredactie binnen het systeem dat juist feilloos zou moeten functioneren. Voor leerlingen heeft dit directe gevolgen. Zij worden geconfronteerd met onzekerheid tijdens een van de meest bepalende toetsmomenten van hun schoolloopbaan. Zelfs wanneer achteraf wordt gecorrigeerd, blijft er twijfel bestaan, hebben alle leerlingen onder gelijke omstandigheden kunnen presteren? En hoe rechtvaardig is een systeem waarin fouten pas na protest worden erkend? Tegelijkertijd speelt zich op een ander niveau een minstens zo zorgwekkend probleem af, de fysieke staat van scholen zelf. Het ministerie volgt de situatie van scholen die te maken hebben met wateroverlast, maar in de praktijk blijft het vaak bij monitoring en tijdelijke maatregelen. In meerdere gebieden worden scholen geconfronteerd met ondergelopen klaslokalen, waardoor het onderwijsproces ernstig wordt verstoord. In Brokopondo wordt bijvoorbeeld onderzocht of containers als tijdelijke leslokalen kunnen worden ingezet, omdat een nieuwbouwschool nog niet officieel is opgeleverd.
Hoewel het ministerie benadrukt dat dit geen ideale of permanente oplossing is, schuift het onderwijs in de praktijk steeds verder richting noodconstructies. Containers, hoe functioneel ook bedoeld, symboliseren vooral uitstelbeleid, tijdelijke oplossingen voor problemen die eigenlijk structureel van aard zijn. Het gevolg is dat leerlingen in omstandigheden moeten leren die verre van stabiel zijn. Wateroverlast, vertraagde bouwprojecten en improvisatie met lesruimtes ondermijnen niet alleen het comfort, maar ook de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs. Lesuren gaan verloren, planning raakt verstoord en scholen moeten telkens schakelen tussen noodscenario’s in plaats van een vast onderwijsprogramma te kunnen uitvoeren. Wat beide situaties met elkaar verbindt, het foutieve examen en de ondergelopen scholen is een patroon van reactief beleid. Problemen worden pas aangepakt wanneer ze zich al hebben gemanifesteerd, niet voorkomen via strikte kwaliteitscontrole en planning. Hierdoor ontstaat een systeem waarin onderwijs steeds vaker afhankelijk wordt van ad-hocoplossingen in plaats van structurele versterking. Zolang die fundamentele knelpunten niet structureel worden aangepakt, blijven leerlingen de dupe van een systeem dat te vaak achter de feiten aanloopt.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com