In De Nationale Assemblee is bij de initiatiefwet Duurzaam Natuurbeheer, waar meerdere fracties het voorstel terugduwen richting herwerking omdat taakverdeling en verantwoordelijkheid te diffuus blijven. De machtsconcentratie bij de Nationale Milieu Autoriteit te groot lijkt, en de rol van instanties die al jaren natuurbeheer dragen, zoals ’s Lands Bosbeheer, onvoldoende is uitgewerkt. Het debat draait niet om de ambitie, want vrijwel iedereen erkent dat Suriname moderne regels nodig heeft om een bosrijk profiel geloofwaardig te houden, maar om de bestuurlijke bouwtekening achter die ambitie. Parlementariërs zetten vraagtekens bij overlap tussen instituten, bij het ontbreken van een eenduidige uitvoerende trekker binnen de overheid, en bij het risico dat een wet die op papier netjes oogt in de praktijk juist frictie en vertraging oplevert.
De hardste toets ligt bij de rechten van inheemse en tribale volken, waar het parlement nadrukkelijk wijst op het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde instemming, omdat consultatie zonder echte borging eerder conflict produceert dan natuurwinst. Ook de vraag waar traditionele woon en leefgebieden precies liggen, en hoe bescherming zich verhoudt tot die gebieden, komt terug als een onopgelost fundament dat eerst moet kloppen voordat je bevoegdheden gaat verdelen.
In Suriname speelt ook de vraag naar institutionele logica bij het Openbaar Ministerie, dat zich verzet tegen het optuigen van een college van procureurs generaal en stelt dat zo’n laag juridisch niet overtuigt, constitutioneel wringt en niet past bij de schaal en traditie van de Surinaamse rechtsorde. Het OM wijst erop dat de huidige inrichting met een onafhankelijk benoemde procureur generaal aan het hoofd aansluit op de bestaande structuur, en dat het debat over versnelling van strafzaken eerder raakt aan capaciteit, deskundigheid en middelen dan aan een extra bestuurlijke schakel.