Nog voordat de eerste offshore olie in 2028 naar boven wordt gehaald, heeft zich onder de Surinaamse bevolking een diep vertrouwensprobleem gevormd dat bij de voorbereiding op de toekomstige miljarden onmogelijk als bijzaak kan worden behandeld. Zeven op de tien Surinamers verwachten dat de voordelen van olie en gas vooral bij een kleine groep terechtkomen, 61 procent heeft weinig of geen vertrouwen in een verstandig beheer van de inkomsten en slechts 12 procent spreekt redelijk tot veel vertrouwen uit. De bevolking vreest daarmee niet alleen verspilling, maar vooral dat de nieuwe rijkdom terechtkomt in een oud systeem van privileges, politieke gunsten en ongelijke kansen.
Die onthutsende uitkomst staat in het Landelijk Perceptieonderzoek Suriname 3.0, dat onderzoeksbureau NIKOS in opdracht van het ministerie van Olie, Gas en Milieu heeft uitgevoerd. Tussen 25 juni en 21 juli werden 1.786 Surinamers van 18 jaar en ouder ondervraagd in 49 ressorten, verspreid over negen districten. Alleen Sipaliwini maakte geen deel uit van de steekproef. Het onderzoek meet verwachtingen en percepties en levert dus geen bewijs dat toekomstige inkomsten daadwerkelijk zullen worden misbruikt, maar het zou bestuurlijk roekeloos zijn om een wantrouwen van deze omvang af te doen als gewone politieke ontevredenheid.
De cijfers vormen namelijk geen losstaande verzameling sombere antwoorden, maar een vrijwel gesloten keten van maatschappelijk wantrouwen. Corruptie en slecht bestuur worden door 65 procent genoemd als het grootste risico voor de toekomstige ontwikkeling van Suriname. Politieke instabiliteit volgt op ruime afstand met 32 procent, terwijl economische instabiliteit en criminaliteit ieder door 26 procent worden genoemd. De bevolking ziet het grootste gevaar dus niet in een gebrek aan olie, investeerders of natuurlijke rijkdommen, maar in de manier waarop macht wordt uitgeoefend en publieke middelen worden beheerd.
Het oordeel wordt nog duidelijker wanneer naar de gewenste prioriteiten wordt gekeken, want maar liefst 91 procent vindt goed bestuur en het tegengaan van corruptie belangrijker dan de inkomsten uit olie en gas. Aan het einde van het onderzoek kreeg iedere respondent ook de mogelijkheid om een advies aan de leiders van het land te geven. Ongeveer 80 procent maakte daarvan gebruik. Ruim een derde van de inhoudelijke antwoorden draaide om integriteit, transparantie, eerlijk bestuur, het nakomen van beloften en het bestrijden van vriendjespolitiek. Daarmee vertelt de bevolking haar leiders feitelijk dat Suriname geen gebrek heeft aan rijkdom, maar aan voldoende vertrouwen dat die rijkdom in het algemeen belang zal worden ingezet.
Vooral de verwachting dat een kleine groep de meeste voordelen zal opstrijken, verdient meer aandacht dan zij tot nu toe heeft gekregen. Een percentage van 70 procent wijst op een samenleving die de toekomstige verdeling bij voorbaat als oneerlijk beschouwt. Dat is gevaarlijk, omdat een olieprogramma niet uitsluitend afhankelijk is van technische installaties, investeringscontracten en productievolumes. Maatschappelijke legitimiteit is eveneens noodzakelijk. Burgers moeten geloven dat de opbrengsten zichtbaar terugkomen in onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, infrastructuur, woningbouw, ondernemerschap en kansen voor hun kinderen. Ontbreekt dat geloof, dan kan zelfs economische groei worden ervaren als vooruitgang voor anderen.
De verschillen tussen de districten maken het beeld nog indringender, aangezien in Brokopondo maar liefst 81 procent van de respondenten weinig of geen vertrouwen heeft in een verstandig beheer van de toekomstige inkomsten. In Marowijne bedraagt dit percentage 66 procent en in Saramacca 67 procent. Het wantrouwen is lager in Nickerie en Coronie, maar bedraagt daar nog altijd respectievelijk 47 en 50 procent. Zelfs in de districten met het gunstigste beeld vertrouwt dus ongeveer de helft van de bevolking het toekomstige beheer niet of nauwelijks. Dit is geen lokaal sentiment en evenmin een probleem dat zich beperkt tot één leeftijdsgroep, etnische gemeenschap of opleidingscategorie, want het wantrouwen loopt dwars door de samenleving.
De tijd om dat vertrouwen op te bouwen wordt ondertussen steeds korter. Het GranMorgu project in Block 58 vertegenwoordigt een investering van meer dan 10 miljard Amerikaanse dollar en moet vanaf 2028 olie produceren. De huidige ontwikkeling gaat uit van een capaciteit van maximaal 220.000 vaten per dag, terwijl over de levensduur van het project miljarden aan inkomsten voor de staat worden verwacht. Dergelijke bedragen kunnen Suriname structureel veranderen, maar geld van die omvang vergroot ook de aantrekkingskracht van politieke beïnvloeding, ondoorzichtige opdrachten, belangenverstrengeling en bedrijven waarvan de werkelijke eigenaren buiten beeld blijven.
Internationale ervaringen laten zien dat natuurlijke rijkdom op zichzelf geen garantie voor ontwikkeling vormt. Het verschil tussen landen die hun grondstoffen hebben omgezet in brede welvaart en landen die in corruptie, schulden en ongelijkheid zijn vastgelopen, wordt in belangrijke mate bepaald door de kwaliteit van hun instituties. Zwakke controlemechanismen laten ruimte voor politieke verspilling en bevoordeling, terwijl transparante begrotingen, onafhankelijke controle, consequente wetshandhaving en openbare informatie de kans vergroten dat grondstoffeninkomsten werkelijk ten goede komen aan de bevolking. De olie is daarom niet de doorslaggevende factor. De bestuurlijke architectuur rond de olie bepaalt uiteindelijk de uitkomst.
Suriname begint die nieuwe economische fase niet met een vlekkeloos transparantiestelsel, want bij de internationale beoordeling van de transparantie binnen de grondstoffensector behaalde het land in 2024 een score van 58,5 punten, die als tamelijk laag werd aangemerkt. Er waren tekortkomingen rond de volledige openbaarmaking van contracten, de betrouwbaarheid en actualiteit van gegevens, openbare informatie over vergunningen en de bekendmaking van de uiteindelijke eigenaren van ondernemingen. Een tijdelijke schorsing wegens achterstallige rapportage werd in september 2025 opgeheven nadat de ontbrekende rapportage alsnog was gepubliceerd. Die correctie was noodzakelijk, maar het onderliggende werk aan transparantie, gegevenskwaliteit en publieke controle is daarmee niet voltooid.
Ook de macro-economische waarschuwingen kunnen niet worden genegeerd, omdat de vooruitgang die eerder bij de stabilisering van de economie was geboekt, in 2025 gedeeltelijk teniet werd gedaan door begrotingsmatige en monetaire ontsporingen. De naderende olieproductie maakt bestuurlijke discipline niet minder belangrijk, maar juist urgenter. Een regering die voor de grote inkomsten al moeite heeft om zijn uitgaven te beheersen, projecten zorgvuldig voor te bereiden en financiële regels consequent toe te passen, kan er niet van uitgaan dat miljardeninkomsten vanzelf tot beter beleid zullen leiden.
Het probleem kan daarom niet worden opgelost met nog een commissie, een nieuw beleidsdocument of algemene beloften over eerlijk beheer. Iedere ontvangen dollar uit de grondstoffensector moet uiteindelijk te volgen zijn vanaf de productie en de betaling tot aan de staatsbegroting en het concrete project waaraan het geld wordt besteed. Contracten, inkomstenramingen, belastingbetalingen, aanbestedingen, uiteindelijke bedrijfseigenaren en uitgaven uit het Spaar en Stabilisatiefonds moeten tijdig en begrijpelijk openbaar worden gemaakt. De Rekenkamer, het parlement, onafhankelijke toezichthouders, maatschappelijke organisaties en de journalistiek moeten daarbij daadwerkelijk kunnen controleren in plaats van achteraf te horen wat al is besloten.
Openheid alleen is echter onvoldoende wanneer overtredingen zonder gevolgen blijven, omdat transparantie zonder handhaving publieke informatie slechts verandert in een archief van bestuurlijke tekortkomingen. Belangenverstrengeling moet aantoonbaar worden onderzocht, aanbestedingsregels moeten ook voor politiek invloedrijke partijen gelden en degenen die verantwoordelijk zijn voor misbruik van publieke middelen mogen niet worden beschermd door partijbelangen, familiebanden of bestuurlijke loyaliteit. Vertrouwen ontstaat niet door campagnes waarin de bevolking wordt verteld dat alles goed zal komen, maar door zichtbaar handelen waaruit blijkt dat voor iedereen dezelfde regels gelden.
De verstandigste koers begint daarom ruim voor de eerste grote inkomsten binnenkomen, met een openbaar controlesysteem of portaal waarin iedere burger periodiek kan zien hoeveel geld is ontvangen, waar het is ondergebracht, welke bedragen zijn uitgegeven, wie een opdracht heeft gekregen en welk meetbaar resultaat daarvoor is geleverd. Suriname moet zijn transparantieregels, onafhankelijke controle, digitale registraties en sancties versterken voordat de financiële druk werkelijk begint, omdat instituties die pas tijdens de miljardenstroom worden opgebouwd vrijwel altijd achter de macht van het geld aanlopen.
Suriname staat daarmee niet alleen aan de vooravond van een olieproductie, maar van een beslissende beproeving van zijn democratische en bestuurlijke volwassenheid. Wanneer zeven op de tien burgers al vóór de eerste offshore opbrengsten verwachten dat vooral een kleine groep zal profiteren, heeft de olierijkdom een deel van haar maatschappelijke legitimiteit verloren voordat zij is ontvangen. De komende jaren moeten daarom niet worden gebruikt om de bevolking grotere verwachtingen te verkopen, maar om onweerlegbaar te bewijzen dat de rijkdom van het land niet opnieuw het bezit wordt van enkelen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com