Het gesprek op een afgelegen terrein in Para begint bijna als een mislukte communicatiepoging. Eerst Duits, daarna Spaans. Uiteindelijk verschijnt Peter Petersen, een Mennoniet uit Belize. Hij spreekt Spaans en Engels en lijkt aanvankelijk weinig onder de indruk van de onverwachte delegatie die zijn terrein heeft betreden. Hij is bereid te praten. Wat daarna boven tafel komt, maakt de situatie ernstiger. Petersen blijkt namelijk niet te weten dat de grond waarop hij en zijn groep inmiddels zwaar hebben geïnvesteerd, volgens de bezoekers domeingrond is. Evenmin lijkt hij op de hoogte te zijn gebracht van het feit dat het gebied een verleden heeft als houtconcessie van Bruynzeel en zich volgens de delegatie bevindt binnen Inheems woon en leefgebied. Nog schrijnender is dat er een deurwaardersexploot bestaat waarin de Mennonieten worden gesommeerd het gebied te verlaten. Volgens hem is zijn groep juist voorgehouden dat er nog gewerkt werd aan de benodigde toestemming om het land officieel te mogen bewerken. De Mennonieten wachten naar eigen zeggen op de papieren. Ondertussen staat hun kostbare landbouwproject grotendeels stil. Daarmee ontstaat een beeld dat veel verder gaat dan een groep buitenlandse landbouwers die zonder toestemming een stuk bos binnentrekt.
Als Petersen de waarheid spreekt, is hij mogelijk zelf onderdeel geworden van een bestuurlijke en politieke constructie waarin toezeggingen zijn gedaan zonder dat duidelijk was wie daartoe bevoegd was. De gevolgen zijn ondertussen schrijnender. De Mennonieten hebben naar eigen zeggen in Belize alles verkocht. Machines zijn naar Suriname verscheept. Het terrein is schoongemaakt. Er is geïnvesteerd in een toekomst die volgens hen aan de andere kant van de grens was beloofd. Petersen noemt een bedrag van US$ 150 per hectare. Voor één locatie zou meer dan 9.000 hectare nodig zijn. Het plan omvat grootschalige productie van maïs en soja, veevoer en veeteelt voor de vleesproductie. Op twee andere plaatsen waar Mennonieten actief zijn, zou de grondbehoefte drie tot vier keer groter kunnen zijn. Het gaat dus niet om een klein landbouwexperiment. Het gaat om een potentiële landclaim van enorme omvang, met economische, ecologische en maatschappelijke gevolgen. Juist daarom is het onthutsend dat de betrokkenen kennelijk met totaal verschillende verhalen op hetzelfde terrein staan. Aan de ene kant staat een groep die zegt naar Suriname te zijn gehaald met de overtuiging dat er voldoende landbouwgrond beschikbaar was. Aan de andere kant staan parlementariërs die uitleggen dat het terrein geen vrij beschikbare landbouwgrond is, maar domeingrond met een voorgeschiedenis en mogelijke rechten van anderen.
Daar komt de Inheemse kwestie nog bovenop. Suriname worstelt al decennialang met de erkenning en bescherming van de grondenrechten van Inheemse en Tribale volken. In die context is grootschalige buitenlandse landbouw in een gebied dat binnen Inheems woon en leefgebied ligt geen detail dat achteraf kan worden weggepoetst met de mededeling dat er nog wat papierwerk moet worden afgerond. Wie heeft deze mensen toestemming of uitzicht op toestemming gegeven? Wie heeft hen verteld dat zij zich daar konden vestigen? Wie heeft gesproken over duizenden hectaren? Wie heeft het bedrag van US$ 150 per hectare vastgesteld of voorgesteld? En vooral, op basis van welke wettelijke bevoegdheid zijn dergelijke verwachtingen gewekt? Petersen noemt twee namen, Ruud Soeverein en Lionel Blokland. Daarmee wordt het verhaal concreter, maar tegelijkertijd ook gevoeliger. Vanaf het terrein wordt contact gezocht met Blokland. Er wordt afgesproken dat documenten aan de Assembleeleden worden verstrekt. Die documenten kunnen veel duidelijk maken. Niet alleen voor de Mennonieten, maar vooral voor de Surinaamse samenleving. Want als er inderdaad toezeggingen zijn gedaan over duizenden hectaren domeingrond, moet worden vastgesteld door wie, onder welke voorwaarden en met welke bevoegdheid. Als daarentegen blijkt dat de Mennonieten op eigen houtje verwachtingen hebben opgebouwd zonder geldige toezeggingen, moet ook dat glashelder worden gemaakt.
Wat absoluut niet kan, is een situatie waarin buitenlandse investeerders miljoenen investeren op basis van informele beloften, terwijl de overheid vervolgens beweert dat de grond niet beschikbaar is en er zelfs een deurwaardersexploot ligt om te vertrekken. Volgens Petersen verblijven inmiddels ongeveer dertig Mennonitische gezinnen in Paramaribo. Meer dan honderd andere gezinnen zouden nog naar Suriname moeten komen. Dat maakt de zaak nog urgenter. Iedere dag dat onduidelijkheid blijft bestaan, groeit het risico op grotere financiële schade, conflicten over grond en spanningen met lokale gemeenschappen. De delegatie van Rabin Parmessar en Jennifer Vreedzaam ging naar Para om de Mennonieten te confronteren met de beschuldigingen en hun verhaal te horen. Uiteindelijk blijkt de werkelijkheid ingewikkelder dan een eenvoudig verhaal over mensen die illegaal land hebben ingenomen. Want als een buitenlandse groep met machines, kapitaal en tientallen gezinnen Suriname binnenkomt, duizenden hectaren landbouwgrond in beeld krijgt en vervolgens pas op locatie hoort dat het gebied mogelijk domeingrond en Inheems woon en leefgebied is, dan is er iets fundamenteels misgegaan. En zolang de documenten niet op tafel liggen, blijft één ding overeind, Suriname heeft hier opnieuw te maken met een dossier waarin grond, geld, politieke verantwoordelijkheid en bestuurlijke bevoegdheid gevaarlijk door elkaar lijken te lopen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com