Suriname kent leerplicht, en beschikt niet over een systeem dat daadwerkelijk controleert of leerplichtige kinderen naar school gaan. Dat betekent dat de overheid wel verwacht dat kinderen onderwijs volgen, maar niet structureel kan vaststellen welke kinderen daadwerkelijk in de schoolbanken zitten en welke kinderen buiten het onderwijssysteem blijven. Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, Dirk Currie, heeft erkend dat er geen instantie bestaat die actief toezicht houdt op de naleving van de leerplicht. Er worden geen huis aan huiscontroles uitgevoerd en er is geen organisatie die kinderen opspoort die nooit bij een school worden aangemeld. Daarmee ontbreekt een fundamenteel onderdeel van iedere effectieve leerplicht, zicht op de groep die niet wordt bereikt. Volgens Currie kunnen ouders worden opgeroepen om hun kinderen alsnog aan te melden, maar daarvoor moet de overheid eerst weten om welke kinderen het gaat. Juist daar ligt een belangrijk probleem. Het ministerie beschikt niet over een volledig overzicht van kinderen die de schoolgaande leeftijd bereiken en nooit in het onderwijs terechtkomen. De overheid baseert haar onderwijsprognoses voornamelijk op geboortecijfers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB). Op basis van die gegevens wordt berekend hoeveel kinderen enkele jaren later naar school zouden moeten gaan.
In de praktijk wijkt het aantal daadwerkelijke aanmeldingen echter regelmatig af van de verwachtingen. Sommige jaren melden zich meer kinderen aan dan op basis van de geboortecijfers was voorzien, terwijl het aantal in andere jaren juist lager uitvalt. Dat verschil is meer dan een statistische afwijking. Het maakt zichtbaar hoe beperkt het zicht van de overheid is op de onderwijsdeelname van kinderen. Wanneer bijvoorbeeld minder kinderen worden aangemeld dan op basis van de geboortecijfers wordt verwacht, is niet automatisch duidelijk waar die kinderen zijn gebleven. Een deel kan elders onderwijs volgen, verhuisd zijn of onder andere omstandigheden buiten de verwachte registratie vallen. Maar zonder een sluitend controlesysteem blijft ook de mogelijkheid bestaan dat kinderen helemaal geen onderwijs volgen. De planningsafdeling van het ministerie analyseert de beschikbare gegevens, maar kan op basis daarvan geen individueel overzicht samenstellen van kinderen die nooit zijn aangemeld. De overheid beschikt daarmee vooral over ramingen en aantallen, maar niet over een sluitende registratie van de kinderen die buiten beeld blijven. Dat is een kwetsbaarheid in het onderwijsbeleid. Een overheid kan geen effectieve aanpak ontwikkelen voor een probleem dat zij niet volledig kan identificeren.
Zolang niet bekend is welke kinderen niet naar school gaan en waarom zij buiten het onderwijs blijven, blijft handhaving van de leerplicht grotendeels afhankelijk van de verantwoordelijkheid van individuele ouders. Currie erkent dat het ontbreken van sancties een probleem vormt, maar legt tegelijkertijd de primaire verantwoordelijkheid bij de ouders. Volgens de minister gaat het om verantwoordelijkheidsbesef. Ouders moeten ervoor zorgen dat hun kinderen toegang krijgen tot onderwijs, begeleiding en de voorzieningen die nodig zijn om zich te ontwikkelen tot volwaardige burgers. Die verantwoordelijkheid van ouders staat buiten discussie, maar daar staat ook een verantwoordelijkheid van de overheid tegenover. Leerplicht is niet alleen een verplichting voor gezinnen. Het is ook een publieke taak om erop toe te zien dat kinderen daadwerkelijk toegang hebben tot onderwijs en dat kinderen die uit beeld raken worden opgespoord en begeleid. Daar wringt het huidige systeem. De staat verwacht naleving, maar heeft geen instantie die actief controleert. De overheid beschikt over geboortecijfers, maar kan die niet één op één verbinden aan daadwerkelijke schoolinschrijving. Er zijn onderwijsprognoses, maar geen volledig overzicht van kinderen die nooit worden aangemeld. En wanneer kinderen eenmaal uit het systeem verdwijnen, is het niet vanzelfsprekend dat de overheid weet waar zij zijn gebleven.
Het probleem wordt nog zichtbaarder bij de schooluitval onder jongens vanaf het secundair onderwijs. Currie wijst erop dat economische omstandigheden een belangrijke rol spelen. Jongeren verlaten het onderwijs om te gaan werken, omdat inkomen voor henzelf of hun gezin noodzakelijk kan worden. Daarmee raakt het onderwijsprobleem aan bredere sociale en economische omstandigheden. Een kind dat vanwege financiële druk de school verlaat, heeft niet alleen te maken met een onderwijsprobleem, maar ook met armoede, gezinsinkomen en beperkte sociale ondersteuning. Het ministerie zegt daarom samen met de bewindspersoon belast met sociale zaken te zoeken naar manieren om deze jongeren financieel en sociaal te ondersteunen. Vooralsnog ontbreekt echter duidelijkheid over de omvang, financiering en concrete uitvoering van die aanpak. De kern van het probleem blijft daardoor overeind, Suriname heeft een leerplicht op papier, maar onvoldoende instrumenten om te controleren of die verplichting in de praktijk wordt nageleefd. Zolang de overheid niet weet welke kinderen buiten het onderwijs vallen, blijft een belangrijk deel van de leerplichtige jeugd letterlijk buiten beeld. Dat maakt leerplicht minder een gecontroleerd recht en plicht en meer een systeem dat grotendeels afhankelijk is van vrijwillige naleving.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com