Met olievelden die Guyana tot een van de snelst groeiende producenten ter wereld hebben gemaakt, blijft het land op een opmerkelijke manier kwetsbaar voor dezelfde internationale brandstofschokken die andere importafhankelijke Caribische landen treffen, omdat elke liter benzine en diesel aan de pomp nog steeds eerst in het buitenland moet worden geraffineerd.
President Irfaan Ali heeft daarom meer duidelijkheid gegeven over het veelbesproken plan voor een nationale oliemaatschappij. De onderneming zou volgens hem niet worden opgezet als staatsbedrijf dat zelf olie wint of zich in dure productieprojecten stort, maar als een organisatie die de volledige binnenlandse brandstofketen coördineert, met een raffinaderij, grotere opslag en een betrouwbaarder systeem voor bevoorrading als belangrijkste onderdelen.
De redenering is begrijpelijk, want Guyana beschikt over ruwe olie uit de offshorevelden, maar importeert alle verwerkte producten die huishoudens, transportbedrijven, winkels, landbouwers en elektriciteitsvoorzieningen nodig hebben. Een stijging van de internationale olieprijs, een verstoring van zeevaartroutes of een conflict in een grote producerende regio werkt daardoor vrijwel rechtstreeks door in de lokale prijzen.
De afhankelijkheid is geen detail in de economische cijfers, want Guyana voerde in 2023 ongeveer 3,9 miljoen vaten petroleumproducten en andere vloeibare brandstoffen in, grotendeels uit de Verenigde Staten. Het land exporteert dus ruwe olie, ontvangt daar inkomsten voor en koopt vervolgens benzine, diesel en andere producten terug tegen internationale marktprijzen. Die constructie levert geld op voor de staatskas, maar geeft weinig bescherming aan consumenten tegen de gevolgen van schaarste en prijspieken.
Een raffinaderij kan die kwetsbaarheid verkleinen, maar zij is geen magische oplossing voor hoge brandstofprijzen. De installatie moet groot genoeg zijn om efficiënt te draaien, technisch passen bij de eigenschappen van Guyanese olie, voldoende afzet hebben en betrouwbaar worden gevoed met ruwe olie. Ook moet vooraf helder zijn hoeveel belastingvoordeel, transportbesparing en prijsstabiliteit werkelijk haalbaar zijn, want een kleine raffinaderij met hoge operationele kosten kan uiteindelijk duurdere brandstof opleveren dan import.
Opslagcapaciteit verdient daarom minstens evenveel aandacht als raffinage, omdat de regering reserves onderzoekt die kunnen variëren van dertig tot honderdtwintig dagen aan brandstofverbruik. Grote voorraden geven een land tijd wanneer leveringen stilvallen, maar vragen zware investeringen in tanks, havens, veiligheidssystemen, kwaliteitscontrole, financiering en rotatie van producten die niet onbeperkt kunnen blijven liggen. De eerste winst van zo een systeem is niet altijd een lagere pompprijs, maar de zekerheid dat economie en samenleving niet direct stilvallen tijdens een internationale crisis.
Ali ziet daarnaast een regionale rol voor Guyana als leverancier van brandstof aan CARICOM. Die ambitie kan economisch aantrekkelijk zijn, maar de Caribische markt is verdeeld, relatief klein en al verbonden met bestaande leveranciers, opslagbedrijven en handelscontracten. Regionale afzet kan dus pas geloofwaardig worden wanneer Guyana een scherpe prijs, constante kwaliteit, sterke havenlogistiek en gegarandeerde levering kan bieden, niet alleen wanneer het zelf over olie beschikt.
De voorgestelde nationale oliemaatschappij krijgt hierdoor een gevoelige positie. Een bedrijf dat niet zelf produceert maar wel invloed krijgt op opslag, inkoop, raffinage, handel en distributie kan alsnog een enorme economische en politieke macht opbouwen. Zonder onafhankelijke raad van toezicht, openbare jaarrekeningen, transparante aanbestedingen en vaste regels tegen politieke benoemingen kan een instrument voor brandstofzekerheid veranderen in een gesloten systeem waar publieke middelen, contracten en invloed samenkomen.
De Surinaamse overheid moet deze ontwikkeling volgen, omdat ook hier de verleiding groot zal zijn om olie-inkomsten snel te verbinden aan grote nationale projecten. Brandstofzekerheid begint niet met een indrukwekkend gebouw of een nieuwe staatsmaatschappij, maar met aantoonbare vraag, betrouwbare opslag, onafhankelijke prijscontrole, publiek inzicht in contracten en bestuurders die niet met publiek geld gokken op prestige.
Guyana staat voor een logische maar kostbare keuze. Het land kan blijven leven met de tegenstelling van olie-export en brandstofimport, of het kan een deel van de energieketen zelf opbouwen. Het succes hangt niet af van de naam nationale oliemaatschappij, maar van de vraag of de uiteindelijke rekening aan de pomp lager, stabieler en eerlijker wordt voor de bevolking.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com