Minister van Financiën en Planning Adelien Wijnerman heeft in De Nationale Assemblee verdedigd waarom de regering de invoering van de Comptabiliteitswet 2024 met drie jaar wil uitstellen tot 2029. Haar uitleg klinkt rationeel, de overheid beschikt niet over de juiste ICT-systemen, er is een tekort aan deskundig personeel, ministeries zijn onvoldoende voorbereid en essentiële onderdelen van de wet ontbreken nog in de praktijk. Maar juist die argumenten leggen een pijnlijk probleem bloot, opnieuw blijkt dat wetgeving in Suriname sneller wordt aangenomen dan uitgevoerd kan worden. De Comptabiliteitswet 2024 trad officieel op 1 januari 2025 in werking. Toch geeft de regering nu openlijk toe dat de begroting voor 2026 niet volgens diezelfde wet is opgesteld. Dat is geen detail of technische omissie, maar een directe erkenning dat de staat momenteel niet in staat is haar eigen financiële regels na te leven. Eerlijkheidshalve moeten we stellen dat de ontwerpbegroting 2026 niet conform de Comptabiliteitswet 2024 heeft plaatsgevonden. Die eerlijkheid is verfrissend, maar tegelijk zorgwekkend.
Want als een wet zulke fundamentele veranderingen vereist, van begrotingsstrategieën en vijfjarenplannen tot nieuwe begrotingsregels waarom werd die wet dan ingevoerd zonder dat de noodzakelijke infrastructuur klaarstond? De minister stelt dat bij de goedkeuring eind 2024 onvoldoende rekening is gehouden met de implementatievoorwaarden. Daarmee zegt zij impliciet dat de staat een complexe hervorming lanceerde zonder realistisch uitvoeringsplan. Dat is precies het soort bestuurlijke improvisatie dat Suriname al jaren achtervolgt. De uitleg over gebrekkige ICT-systemen en onvoldoende getraind personeel maakt het beeld niet beter. Het financieel beheer van een land behoort tot de kern van behoorlijk bestuur. Als de overheid anno 2026 nog steeds niet beschikt over moderne systemen en voldoende capaciteit om een comptabiliteitswet uit te voeren, dan is dat geen tijdelijk ongemak meer, maar een structureel bestuursprobleem. Tegelijkertijd probeert de regering gerust te stellen dat het uitstel geen afstel betekent.
Volgens Wijnerman blijft de regering werken aan modernisering, beter toezicht en efficiënter financieel beheer. Ook is inmiddels hulp gevraagd aan het Internationaal Monetair Fonds, dat een gefaseerde overgang zou hebben aanbevolen. Maar ook dat roept vragen op. Waarom moest eerst een internationale instelling bevestigen dat de implementatie niet haalbaar was, voordat de regering zelf tot dat inzicht kwam? Het gevaar van deze situatie is niet alleen administratief, maar ook politiek. Iedere vertraging in hervormingen ondermijnt het vertrouwen van burgers in de slagkracht van de overheid. Want voor veel Surinamers klinkt dit als een bekend patroon, ambitieuze wetten, grote aankondigingen en uiteindelijk uitstel omdat de basis nooit op orde was. De kern van het debat draait daarom niet alleen om drie jaar extra tijd. Het draait om geloofwaardigheid. Hoeveel vertrouwen kan de samenleving nog hebben in hervormingen als de overheid zelf toegeeft dat ze onvoldoende voorbereid was op een wet die ze nota bene zelf invoerde? Minister Wijnerman heeft gelijk wanneer ze zegt dat terugvallen op de Comptabiliteitswet 2019 geen vrijbrief mag zijn voor onverantwoord begrotingsbeheer. Maar juist daarom zal de regering de komende jaren meer moeten tonen dan intenties, trainingen en IMF-adviezen. Uiteindelijk zal niet het uitstel worden beoordeeld, maar de vraag of de staat in 2029 opnieuw met dezelfde excuses komt.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com