De economische machtsverhoudingen binnen BRICS worden steeds duidelijker zichtbaar nu een omvangrijk internationaal handelsonderzoek aantoont dat India, ondanks zijn groeiende industriële capaciteit en duizenden mogelijkheden om producten naar andere lidstaten te exporteren, nog altijd ver achterblijft bij China als het gaat om daadwerkelijke commerciële aanwezigheid. Een gezamenlijk onderzoek van de Export Import Bank of India en de Federation of Indian Chambers of Commerce and Industry heeft vastgesteld dat Indiase ondernemingen binnen de BRICS markten kansen hebben in maar liefst 1.782 productcategorieën, maar binnen de onderzochte exportmogelijkheden slechts een aandeel van 8,4 procent vertegenwoordigen. China daarentegen beschikt over 5.325 geïdentificeerde productmogelijkheden en neemt met 48 procent een dominante positie in binnen dezelfde beoordeling. De resultaten leggen een fundamentele tegenstelling bloot binnen een economisch samenwerkingsverband dat zich internationaal steeds nadrukkelijker presenteert als een belangrijke motor achter de toekomstige wereldhandel, omdat de deelnemende landen gezamenlijk over enorme markten en industriële mogelijkheden beschikken, maar de economische voordelen daarvan bijzonder ongelijk verdeeld zijn. Achter de indrukwekkende omvang van BRICS schuilt daarmee een veel belangrijkere vraag over het vermogen van opkomende economieën om hun natuurlijke hulpbronnen, arbeidskrachten en industriële kennis daadwerkelijk om te zetten in hoogwaardige productie en internationale exportinkomsten.
Het onderzoek, dat begin november 2026 opnieuw onder de aandacht werd gebracht, analyseert de exportmogelijkheden binnen de uitgebreide BRICS groep aan de hand van bestaande handelsstromen, internationale productvraag en de mate waarin afzonderlijke landen concurrerend kunnen produceren. De analyse maakt gebruik van een methode waarbij wordt onderzocht welke producten een land relatief sterk kan aanbieden en in welke partnerlanden voldoende importvraag bestaat om nieuwe commerciële activiteiten te ontwikkelen. India komt daarbij naar voren als het land met het op één na grootste aantal geïdentificeerde productmogelijkheden, maar de daadwerkelijke aanwezigheid op de onderzochte markten blijft opvallend beperkt. Het genoemde aandeel van 8,4 procent moet worden begrepen binnen de specifieke exportvergelijking van het onderzoek en betekent niet dat India slechts 8,4 procent van de volledige wereldhandel of automatisch hetzelfde percentage van alle BRICS importen vertegenwoordigt. Dit onderscheid is belangrijk omdat een land grote exportmogelijkheden kan bezitten zonder dat zijn ondernemingen al toegang hebben tot de distributienetwerken, financiële voorzieningen en commerciële relaties die nodig zijn om deze kansen daadwerkelijk te benutten. De cijfers illustreren daarom vooral hoe groot het verschil kan zijn tussen economische productiecapaciteit en werkelijk gerealiseerde internationale marktpositie.
De omvang van de BRICS economie maakt deze tegenstelling bijzonder interessant, omdat de deelnemende landen in 2024 gezamenlijk ongeveer 31,6 biljoen Amerikaanse dollar aan economische productie vertegenwoordigden, goed voor circa 28,5 procent van het mondiale bruto binnenlands product. De gezamenlijke uitvoer naar internationale markten bedroeg in dat jaar ongeveer 7,2 biljoen dollar, terwijl de import uitkwam op circa 6,3 biljoen dollar. Deze cijfers tonen aan dat het samenwerkingsverband niet uitsluitend politiek gewicht heeft, maar eveneens een omvangrijke economische structuur vertegenwoordigt waarin grondstoffen, industriële producten, technologie en consumptiegoederen dagelijks internationale grenzen passeren. Opmerkelijk is echter dat slechts 22,8 procent van de totale goederenexport van de deelnemende landen bestemd was voor andere BRICS leden. Het grootste deel van hun uitvoer gaat daarmee nog altijd naar markten buiten het samenwerkingsverband, wat duidelijk maakt dat politieke samenwerking niet automatisch leidt tot sterke onderlinge handelsrelaties. De mogelijkheden voor verdere economische integratie zijn aanzienlijk, maar de cijfers laten tegelijkertijd zien dat de bestaande internationale productieketens veel ingewikkelder zijn dan de politieke grenzen van afzonderlijke economische machtsblokken.
De dominante positie van China vormt het scherpste contrast binnen de analyse, omdat het land gedurende meerdere decennia een omvangrijk industrieel netwerk heeft opgebouwd waarin productie, technologieontwikkeling, logistiek en internationale handel nauw met elkaar zijn verbonden. Chinese ondernemingen beschikken over sterke posities binnen elektronica, telecommunicatieapparatuur, elektrische voertuigen, lithiumionbatterijen, zonnepanelen en andere producten die een belangrijke plaats innemen binnen de wereldwijde energietransitie en digitalisering. Het onderzoek identificeert binnen verschillende categorieën ongeveer 333 miljard dollar aan Chinese exportmogelijkheden met een relatief sterke commerciële uitgangspositie. De economische betekenis daarvan gaat veel verder dan de verkoop van afzonderlijke producten, omdat Chinese ondernemingen vaak complete industriële ketens beheersen, van de verwerking van grondstoffen en de productie van onderdelen tot de assemblage van eindproducten en de internationale distributie. Deze geïntegreerde productiestructuur maakt het mogelijk om op grote schaal te produceren, kosten te verlagen en nieuwe markten sneller te bedienen. De positie van China binnen BRICS laat daarmee zien dat economische invloed niet uitsluitend wordt bepaald door de omvang van een bevolking of de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen, maar vooral door het vermogen om technische deskundigheid, investeringskapitaal en industriële infrastructuur langdurig met elkaar te verbinden.
Voor India is de uitdaging aanzienlijk, maar de bestaande exportmogelijkheden tonen eveneens aan dat het land over een sterke basis beschikt om zijn internationale commerciële positie verder uit te bouwen. Het onderzoek identificeert vooral kansen binnen farmaceutische producten, aardolieproducten, auto’s, voertuigonderdelen, machinebouw, elektrische apparatuur, chemische producten en gespecialiseerde industriële goederen. India heeft de afgelopen jaren een omvangrijke farmaceutische industrie ontwikkeld en beschikt over ondernemingen die wereldwijd actief zijn in de productie van geneesmiddelen en medische benodigdheden. Ook de auto-industrie, technische dienstverlening en productie van industriële machines bieden mogelijkheden om een groter aandeel te verwerven binnen markten in Azië, Afrika en Zuid Amerika. Het probleem is echter dat de aanwezigheid van concurrerende producten niet automatisch betekent dat buitenlandse afnemers bereid zijn hun bestaande leveranciers te vervangen. Ondernemingen moeten rekening houden met invoerrechten, technische normen, transportkosten, financieringsvoorwaarden en het vertrouwen dat internationale handelspartners stellen in de kwaliteit en continuïteit van leveringen. India zal daarom niet alleen zijn productie moeten uitbreiden, maar vooral moeten investeren in de commerciële infrastructuur waarmee bestaande producten op een betrouwbare en concurrerende manier toegang krijgen tot nieuwe markten.
De economische ambities worden verder bemoeilijkt doordat verschillende BRICS landen zowel handelspartners als rechtstreekse concurrenten van elkaar zijn. China en India beschikken bijvoorbeeld over grote industriële sectoren en streven beide naar een sterkere positie binnen hoogwaardige technologie, elektrische voertuigen en internationale productieketens. Brazilië bezit belangrijke natuurlijke hulpbronnen en een omvangrijke landbouwsector, terwijl Rusland een invloedrijke leverancier is van energie en grondstoffen. Zuid Afrika beschikt over mineralen en industriële capaciteit, terwijl landen als Indonesië, Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten eigen strategische voordelen proberen te ontwikkelen op het gebied van productie, logistiek en internationale dienstverlening. Deze economische verschillen creëren mogelijkheden voor samenwerking, maar veroorzaken tegelijkertijd concurrentie om buitenlandse investeringen, exportmarkten en technologische invloed. Een gezamenlijk handelsplatform kan deze tegenstellingen niet eenvoudig opheffen, omdat ondernemingen uiteindelijk worden beoordeeld op prijs, kwaliteit, leveringszekerheid en hun vermogen om producten aan te passen aan de behoeften van afnemers. De werkelijke uitdaging voor BRICS ligt daarom bij het ontwikkelen van samenwerkingsvormen waarin landen elkaar economisch aanvullen zonder dat de sterkste industriële economieën automatisch de belangrijkste commerciële voordelen naar zich toe trekken.
De toekomst van het samenwerkingsverband wordt volgens het onderzoek mede bepaald door de ontwikkeling van nieuwe industriële sectoren die gedurende de komende decennia een centrale plaats zullen innemen binnen de wereldeconomie. Daarbij worden kritieke mineralen, energieopslag, hernieuwbare energie, groene waterstof, halfgeleiders, farmaceutische producten, medische apparatuur, elektrische voertuigen, luchtvaarttechnologie en geautomatiseerde productieprocessen genoemd als belangrijke mogelijkheden voor verdere samenwerking. Deze sectoren vereisen echter aanzienlijk meer dan toegang tot goedkope grondstoffen of omvangrijke afzetmarkten, omdat de productie afhankelijk is van gespecialiseerde kennis, betrouwbaar technisch onderwijs, onderzoeksinstellingen en langdurige investeringen in industriële infrastructuur. De ontwikkeling van halfgeleiders vraagt bijvoorbeeld om bijzonder nauwkeurige productieprocessen en complexe internationale leveranciersnetwerken, terwijl de fabricage van batterijen afhankelijk is van grondstoffenverwerking, chemische technologie en omvangrijke investeringen in productiefaciliteiten. Landen die uitsluitend de benodigde mineralen exporteren zonder deel te nemen aan verwerking en technologische ontwikkeling, blijven daardoor een relatief beperkte positie innemen binnen de uiteindelijke waardeketen. De internationale concurrentiestrijd verschuift daarmee steeds nadrukkelijker van de controle over natuurlijke hulpbronnen naar de beheersing van de technologie waarmee deze hulpbronnen worden omgezet in hoogwaardige commerciële producten.
De beperkte onderlinge handel binnen BRICS maakt daarnaast duidelijk hoe belangrijk financiële infrastructuur, logistiek en handelsfinanciering zijn voor economische integratie. Een onderneming kan beschikken over een product waarvoor in een ander land grote belangstelling bestaat, maar toch niet kunnen exporteren wanneer betrouwbare betalingskanalen ontbreken of banken onvoldoende bereid zijn internationale transactierisico’s te financieren. Vooral kleine en middelgrote ondernemingen worden hierdoor getroffen, omdat zij doorgaans niet beschikken over dezelfde financiële reserves en internationale netwerken als grote multinationale bedrijven. Tijdens de BRICS bijeenkomsten van 2026 hebben de deelnemende regeringen daarom afspraken gemaakt over verdere samenwerking bij de beoordeling van kredietrisico’s, het verbeteren van grensoverschrijdende betalingsprocessen en het onderzoeken van mechanismen waarmee ondernemingen openstaande facturen sneller kunnen omzetten in beschikbaar werkkapitaal. Deze initiatieven kunnen bijdragen aan een betere toegang tot internationale markten, maar hun werkelijke betekenis zal afhangen van de mate waarin banken en ondernemers de nieuwe instrumenten daadwerkelijk kunnen gebruiken. Zonder betrouwbare uitvoering blijven dergelijke voorzieningen vooral institutionele afspraken die weinig veranderen aan de dagelijkse financiële problemen van exporterende ondernemingen.
Een bijzonder belangrijke ontwikkeling betreft de verschuiving van traditionele handel naar internationale productieketens waarin verschillende landen betrokken zijn bij de productie van één eindproduct. Een moderne elektrische auto kan bijvoorbeeld afhankelijk zijn van grondstoffen uit meerdere continenten, batterijen die elders worden geproduceerd, elektronische componenten uit gespecialiseerde fabrieken en software die door internationale ontwikkelteams wordt geleverd. De economische waarde wordt daardoor niet uitsluitend gecreëerd in het land waar de uiteindelijke assemblage plaatsvindt, maar verspreidt zich over een netwerk van ondernemingen die ieder een specifieke bijdrage leveren. BRICS probeert deze productieketens beter met elkaar te verbinden via het Global Value Chain Action Plan voor de periode 2026 tot en met 2030. Het plan richt zich op handelsfacilitering, technologische samenwerking, verbetering van logistieke verbindingen en de ontwikkeling van industriële capaciteit binnen de deelnemende landen. De grootste uitdaging zal echter zijn om ervoor te zorgen dat ook kleinere en minder geïndustrialiseerde economieën daadwerkelijk toegang krijgen tot deze netwerken, omdat internationale productieketens anders vooral de bestaande industriële dominantie van grote economieën kunnen versterken.
De economische concurrentie tussen India en China laat bovendien zien dat internationale invloed binnen BRICS niet uitsluitend wordt bepaald door diplomatieke samenwerking of gemeenschappelijke standpunten over mondiale financiële hervormingen. Beide landen hebben belang bij een grotere rol voor opkomende economieën binnen internationale instellingen, maar proberen tegelijkertijd hun eigen industriële producten en technologische standaarden internationaal sterker te positioneren. China beschikt door zijn uitgebreide productiecapaciteit over een belangrijke commerciële voorsprong, terwijl India probeert nieuwe investeringen aan te trekken en zijn industriële ontwikkeling te versnellen via nationale productieprogramma’s en internationale handelspartnerschappen. De vraag is of India deze achterstand kan verkleinen zonder uitsluitend te concurreren op lage productiekosten, omdat de toekomstige wereldeconomie steeds meer waarde zal toekennen aan innovatie, betrouwbaarheid en gespecialiseerde technologie. De analyse maakt duidelijk dat een omvangrijke binnenlandse markt weliswaar mogelijkheden biedt om industriële productie te ontwikkelen, maar dat succesvolle export vooral afhankelijk is van het vermogen om producten te vervaardigen die op internationale markten concurrerend blijven. De 1.782 geïdentificeerde productmogelijkheden vormen daardoor geen gegarandeerde toekomstige exportinkomsten, maar een aanwijzing voor commerciële kansen die alleen met gerichte investeringen en een consistente handelsstrategie kunnen worden benut.
Ook de positie van Afrika binnen de ontwikkeling van BRICS verdient aandacht, omdat verschillende Afrikaanse economieën een belangrijke rol kunnen spelen bij de toekomstige groei van internationale industriële netwerken. Landen zoals Zuid Afrika, Egypte en Ethiopië beschikken over uiteenlopende economische voordelen, waaronder mineralen, landbouwmogelijkheden, industriële capaciteit en strategische logistieke verbindingen. De ontwikkeling van nieuwe productiecentra kan bijdragen aan werkgelegenheid en economische diversificatie, maar de ervaring leert dat buitenlandse investeringen niet automatisch leiden tot een sterke nationale industrie. Een land kan jarenlang grondstoffen leveren aan internationale ondernemingen zonder zelf voldoende technische kennis of productiecapaciteit op te bouwen om hoogwaardige eindproducten te vervaardigen. De uitbreiding van BRICS biedt daarom vooral mogelijkheden wanneer deelnemende economieën afspraken maken over lokale verwerking, technische opleidingen en de betrokkenheid van nationale ondernemingen bij internationale investeringsprojecten. Het succes van dergelijke samenwerking moet worden beoordeeld aan de hand van concrete resultaten zoals nieuwe fabrieken, exportinkomsten, productieve werkgelegenheid en de mate waarin lokale bedrijven zelfstandig kunnen deelnemen aan internationale handelsnetwerken.
De internationale ontwikkelingen maken duidelijk dat Suriname zijn economische kansen niet uitsluitend moet beoordelen aan de hand van de hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen die beschikbaar is, maar vooral op basis van het vermogen om deze hulpbronnen te verwerken en commerciële producten te ontwikkelen waarvoor buitenlandse markten belangstelling hebben. De verwachte start van de offshore olieproductie in 2028 biedt mogelijkheden om de nationale inkomsten aanzienlijk te vergroten, maar vormt op zichzelf nog geen garantie voor een duurzame industriële economie. Suriname beschikt daarnaast over landbouwgrond, omvangrijke bossen, mineralen en een geografische ligging die mogelijkheden biedt voor handel tussen het Caribisch gebied en Zuid Amerika. De uitdaging is om deze voordelen te verbinden aan een doelgerichte exportstrategie waarin niet alleen de productie van grondstoffen centraal staat, maar ook voedselverwerking, technische dienstverlening, duurzame houtproducten, logistiek en andere activiteiten met een hogere toegevoegde waarde. De ervaring van India laat zien dat zelfs een grote economie met duizenden exportmogelijkheden een relatief beperkte positie kan behouden wanneer handelsinfrastructuur en internationale markttoegang onvoldoende zijn ontwikkeld. Voor Suriname is het daarom noodzakelijk om nu al zorgvuldig vast te stellen welke producten op regionale en internationale markten werkelijk concurrerend kunnen worden aangeboden, welke technische normen daarvoor gelden en welke investeringen nodig zijn om lokale ondernemingen toegang te geven tot buitenlandse afnemers.
De Surinaamse overheid zou de komende jaren samen met het bedrijfsleven, financiële instellingen en technische onderwijsorganisaties moeten werken aan een nationale exportagenda waarin concrete productcategorieën worden gekoppeld aan beschikbare grondstoffen, gespecialiseerde opleidingen en internationale vraag. Een belangrijk onderdeel daarvan is het verbeteren van handelsinformatie, zodat ondernemers niet uitsluitend worden aangemoedigd om meer te produceren, maar vooraf kunnen vaststellen welke producten winstgevend kunnen worden uitgevoerd en aan welke kwaliteitseisen zij moeten voldoen. Daarnaast verdienen betrouwbare elektriciteit, efficiënte havenvoorzieningen, douaneprocedures, internationale betalingsmogelijkheden en toegang tot werkkapitaal bijzondere aandacht. De toekomstige olieinkomsten kunnen worden gebruikt om deze noodzakelijke economische infrastructuur te versterken, maar het beleid moet voorkomen dat de nationale ontwikkeling opnieuw afhankelijk wordt van enkele grote grondstoffenprojecten. Internationale samenwerking met landen binnen en buiten BRICS kan daarbij nuttig zijn, mits Suriname duidelijke voorwaarden stelt aan kennisoverdracht, lokale werkgelegenheid en de betrokkenheid van nationale ondernemingen. De ontwikkeling van een sterke exporteconomie vraagt immers om meer dan buitenlandse belangstelling voor natuurlijke hulpbronnen, omdat duurzame welvaart pas ontstaat wanneer Surinaamse ondernemingen zelfstandig producten en diensten kunnen leveren die op internationale markten voldoende kwaliteit en commerciële waarde vertegenwoordigen.
De uitkomsten van het onderzoek naar de exportmogelijkheden binnen BRICS bevestigen uiteindelijk dat economische macht niet uitsluitend voortkomt uit de omvang van een bevolking, de beschikbaarheid van natuurlijke rijkdommen of het lidmaatschap van een invloedrijk internationaal samenwerkingsverband. China heeft zijn sterke positie opgebouwd door gedurende meerdere decennia te investeren in industriële capaciteit, logistieke infrastructuur, technologische ontwikkeling en internationale handelsnetwerken, terwijl India ondanks duizenden commerciële mogelijkheden nog altijd voor de uitdaging staat om een groter deel van de onderzochte exportmarkten daadwerkelijk te bereiken. De gezamenlijke economische omvang van BRICS is indrukwekkend, maar het relatief beperkte aandeel van onderlinge handel laat zien dat de deelnemende landen nog veel werk moeten verrichten om hun financiële en industriële samenwerking te verdiepen. De komende jaren zullen moeten uitwijzen of nieuwe initiatieven voor handelsfinanciering, technologische samenwerking en internationale productieketens voldoende resultaat opleveren om de economische voordelen binnen het samenwerkingsverband evenwichtiger te verdelen. De belangrijkste conclusie is dat internationale markten geen beloning vormen voor landen die uitsluitend over grote economische mogelijkheden beschikken, maar vooral toegankelijk worden voor ondernemingen die deze mogelijkheden weten om te zetten in betrouwbare productie, concurrerende prijzen en langdurige commerciële relaties. Een land dat zijn economische toekomst wil veiligstellen, moet daarom niet uitsluitend streven naar meer natuurlijke hulpbronnen of grotere buitenlandse investeringen, maar vooral naar de ontwikkeling van kennis, ondernemerschap en productieve capaciteit waarmee het zelfstandig waarde kan creëren binnen een internationale economie waarin de concurrentie steeds scherper wordt.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com