De belofte van digitale schaarste blijft voor veel beleggers het aantrekkelijke verhaal, maar achter het scherm draait een machine die zich minder laat romantiseren, omdat de Bitcoin Energy Consumption Index de voetafdruk van het netwerk inmiddels uitdrukt in grootheden die niet meer aan hobbygebruik doen denken. De jaarlijkse uitstoot wordt in de meest recente raming op 114,03 miljoen ton CO2 gezet, met een elektriciteitsverbruik van 204,44 terawattuur, en daarnaast 23,95 kiloton aan elektronisch afval en 3.222 gigaliter aan zoetwaterverbruik. In die vergelijkingen schuift Bitcoin in een adem naast de CO2 voetafdruk van Tsjechië, het stroomverbruik van Thailand, de categorie klein IT apparatuurafval van Nederland en het totale watergebruik van Zwitserland, wat vooral een punt onderstreept, het netwerk is niet klein meer.
De cijfers worden duidelijker wanneer de index het herleidt naar een transactie, omdat dan zichtbaar wordt hoe beperkt de capaciteit van het systeem is in verhouding tot de energie die het opslokt. Gemiddeld komt een Bitcoin transactie uit op 694,53 kilogram CO2, op 1.245,21 kilowattuur aan elektriciteit, op 145,90 gram elektronisch afval en op 19.625 liter zoetwater. De index zet dat naast alledaagse referenties, waarbij die 694,53 kilogram CO2 gelijk wordt gesteld aan 1.539.318 Visa transacties of 115.755 uur YouTube kijken, en waarbij 1.245,21 kilowattuur overeenkomt met 42,68 dagen stroomverbruik van een gemiddeld huishouden in de Verenigde Staten.
Onder dit verbruik zit geen mystiek maar rekenwerk, want het Bitcoin netwerk blijft draaien op proof of work, een mechanisme dat elke tien minuten een nieuw blok aan transacties aan de keten toevoegt, terwijl duizenden miners tegelijk proberen het winnende blok te vinden. De kern is dat miners niet elkaar hoeven te vertrouwen, omdat iedere miner onafhankelijk controleert of transacties aan regels voldoen, bijvoorbeeld of de verzender het bedrag bezit, en omdat overeenstemming wordt afgedwongen via een wedstrijd waarin een geldige oplossing als eerste telt. De protocolmoeilijkheid wordt periodiek aangepast om die tien minuten als gemiddelde te bewaken, waardoor de prikkel om steeds meer rekenkracht te plaatsen structureel blijft bestaan zolang de opbrengst het toelaat. De beloning bestaat uit een vaste coin beloning plus transactiekosten, en het trial and error karakter maakt het vergelijkbaar met een loterij waarin elke poging energie kost en waarin de hashrate, vaak uitgedrukt in gigahashes per seconde, de snelheid van die pogingen representeert.
De grote discussie zit inmiddels minder in de vraag of Bitcoin energie gebruikt, maar in de herkomst van die energie, omdat de index en bijbehorende academische literatuur benadrukken dat een aanzienlijk deel van mining op fossiele bronnen leunt. Cambridge publiceert sinds 2020 detailinzichten in de geografische spreiding van miners, en een studie in Joule van 25 februari 2022 werkt uit hoe die locatiegegevens kunnen worden vertaald naar de elektriciteitsmix en daarmee naar de CO2 intensiteit. In dat spoor wordt beschreven dat het aandeel hernieuwbaar dat het netwerk voedt na de Chinese crackdown in het voorjaar van 2021 terugliep van 41,6 procent naar 25,1 procent, en dat de gemiddelde CO2 intensiteit van de gebruikte elektriciteit kan zijn opgelopen van 478,27 gram CO2 per kilowattuur in 2020 naar 557,76 gram CO2 per kilowattuur in augustus 2021. De index baseert zijn CO2 schatting op die intensiteit, en zet daarmee impliciet de vinger op de gevoeligheid van het debat, verhuizen miners naar kolen en gasregio’s, dan verschuift de klimaatrekening mee.
Een hardnekkig tegenargument is dat miners ook op hernieuwbaar kunnen draaien, maar de technische frictie blijft dat hernieuwbare opwek intermitterend is, terwijl mining zich gedraagt als baseload, omdat een ASIC miner die winstgevend is doorgaans niet vrijwillig uitgaat. Bij tekorten op het net eindigt die constante vraag historisch vaak bij fossiele bronnen, en juist daar ontstaat het spanningsveld met landen die tegelijk willen elektrificeren, industrie willen aantrekken en huishoudens betaalbare stroom willen bieden. De index verwijst bovendien naar peer reviewed werk dat stelt dat hernieuwbare energie op zichzelf het duurzaamheidsprobleem niet oplost, omdat de permanente vraag de systeemkosten en de fossiele back up niet automatisch wegneemt.
De vergelijking met het bestaande betalingsverkeer legt het verschil nog brutaler bloot, al is het geen perfecte een op een vergelijking. Visa rapporteerde zelf een totaal energieverbruik van 740.000 gigajoule voor wereldwijde operaties en verwerkte in 2019 138,3 miljard transacties, waarna de index rekent naar een CO2 voetafdruk per Visa transactie van 0,45 gram CO2 equivalent. Vanuit die grootheden ontstaat de slotzin die het debat aanwakkert, de energie voor een gemiddelde Bitcoin transactie zou 837.792 Visa transacties kunnen voeden. En de CO2 voetafdruk van een Bitcoin transactie zou overeenkomen met 1.539.318 Visa transacties, mede omdat de stroommix van Visa relatief groener is dan die van het mining netwerk.
Een onderliggende oorzaak is schaal, omdat het protocol een datalimiet van een megabyte per blok hanteert en gemiddeld één blok per tien minuten, waardoor Bitcoin ruwweg op zeven transacties per seconde uitkomt. In het meest optimistische scenario levert dat rond 220 miljoen transacties per jaar op, een fractie naast een mondiale betaalstroom van meer dan 700 miljard digitale betalingen per jaar, terwijl Visa zelf aangeeft pieken van meer dan 65.000 transacties per seconde aan te kunnen. In die verhouding komt Bitcoin uit op circa 0,03 procent van die digitale betaalstroom, en juist die combinatie van lage doorvoer en onbegrensde energieprikkel maakt de footprint per transactie zo extreem wanneer de marktwaarde stijgt.
De index probeert het energieverbruik niet te raden op basis van een lijstje machines, maar vanuit economie, omdat er geen centraal register bestaat van actieve apparatuur en vermogen. De methode vertrekt daarom vanuit de verhouding tussen inkomsten en kosten van miners, en zet de jaarlijkse minerinkomsten op 14.495.025.078 dollar, met veronderstelde jaarlijkse elektriciteitskosten van 10.221.786.078 dollar bij een vaste stroomprijs van 0,05 dollar per kilowattuur, wat neerkomt op 70,52 procent van de inkomsten als stroomcomponent. Het doel is geen perfecte waarheid, maar een conservatieve dag tot dag raming die robuuster is dan modellen die koeling, uitval en klimaatfactoren te licht nemen.
Op de achtergrond schuift nog een tweede verhaal naar voren, omdat het nieuwste onderzoek op de site, een studie over kunstmatige intelligentie en energie implicaties van Mei 2025, stelt dat AI tegen eind 2025 meer stroom zou kunnen verbruiken dan Bitcoin, waardoor de discussie breder wordt dan crypto alleen. Dat maakt de politieke realiteit richting 2026 nuchterder, want overheden en bedrijven gaan tegelijk elektrificeren, datacenters uitbreiden en strengere rapportage rond uitstoot en ketenimpact invoeren, waardoor elke businesscase die veel vermogen opslokt sneller op vergunningen, netcapaciteit en reputatierisico stuit.
Voor Suriname en de regio is dit geen abstract debat, omdat elk plan rond digitale economie, data diensten of nieuwe investeringen uiteindelijk op dezelfde schaarse factor uitkomt, betrouwbare stroom tegen voorspelbare kosten, met een geloofwaardige herkomst. Een praktische stap voor partijen die toch met crypto of dataverwerking willen werken ligt in transparantie en keuze, kies aantoonbaar schone stroom waar het kan, vermijd ontwerpen die permanent baseload vragen zonder maatschappelijk rendement. En kijk bij blockchain toepassingen vaker naar netwerken die niet op proof of work draaien, omdat proof of stake volgens schattingen tot minstens 99,85 procent minder energie kan vragen. Dat soort selectie klinkt technisch, maar het bepaalt in 2026 steeds vaker of een digitaal project als modern wordt gezien of als een dure omweg.