Het Surinaamse beroepsonderwijs dreigt opnieuw het slachtoffer te worden van beleid dat misschien modern oogt, maar in de praktijk onvoldoende rekening houdt met de talenten, mogelijkheden en toekomst van duizenden jongeren. Dat vertegenwoordigers van onderwijsbonden als FOLS, BLTO en BvL/ALS bij president Jennifer Simons aan de bel trekken, is dan ook geen overbodige formaliteit. Het is een duidelijke waarschuwing dat er fundamenteel iets misgaat met de manier waarop Suriname zijn beroepsonderwijs organiseert. Centraal in de kritiek staat het verdwijnen van de B-richting op LBO niveau. Deze richting werd in oktober 2025 stopgezet, maar de gevolgen daarvan lijken inmiddels steeds zichtbaarder te worden. Vooral leerlingen met een sterke praktische aanleg dreigen de rekening te betalen van een onderwijssysteem dat te vaak vanuit structuren en hervormingen wordt ontworpen, in plaats van vanuit de werkelijke behoeften van leerlingen en de arbeidsmarkt. De B-richting was bedoeld voor de ambachtsgroep. Dat betekent niet dat deze leerlingen minder intelligent zijn, zoals kennelijk nog altijd te gemakkelijk wordt gedacht. Het betekent simpelweg dat hun talenten en leerbehoeften anders liggen. Niet ieder kind blinkt uit in theoretische vakken. Sommigen zijn juist sterk in techniek, constructie, reparatie, installatie, productie en andere praktische vaardigheden. Een samenleving die dat onderscheid niet begrijpt, verspilt menselijk potentieel.
BLTO voorzitter Jennifer Ballo heeft terecht gewezen op het belang van het B-niveau. Met een LBO B-diploma kon een jongere direct de arbeidsmarkt betreden, maar bleef tegelijkertijd de mogelijkheid bestaan om via de avondschool verder te studeren. Dat is precies het soort onderwijstraject dat Suriname nodig heeft, een systeem waarin jongeren kunnen werken en zich verder kunnen ontwikkelen. Het probleem is dat het huidige praktische onderwijs, zoals het P-onderwijs, jongeren juist kan verleiden om te vroeg uit het formele onderwijs te stappen. Een snelle cursus kan iemand op korte termijn een praktische vaardigheid geven, maar onderwijsbeleid mag niet uitsluitend worden beoordeeld op hoe snel iemand een inkomen kan verdienen. De echte vraag is hoeveel ontwikkelingsruimte die jongere over vijf, tien of twintig jaar nog heeft. Suriname heeft dringend behoefte aan goed opgeleide vakmensen, maar vakmanschap ontstaat niet noodzakelijk door jongeren zo snel mogelijk een korte opleiding in te sturen. Een goede vakdeskundige beschikt niet alleen over handvaardigheid, maar ook over theoretische kennis, discipline, probleemoplossend vermogen en de mogelijkheid om nieuwe technieken te leren. Wie jongeren te vroeg uit het formele onderwijs duwt, loopt het risico een generatie goedkope arbeidskrachten te creëren in plaats van een generatie vakdeskundigen.
De uitspraak dat Suriname niet alleen handlangers, maar vooral vakdeskundigen nodig heeft, verdient daarom maximale aandacht. Het is een fundamentele waarschuwing. Een land dat economisch vooruit wil, kan niet blijven vertrouwen op mensen die uitsluitend eenvoudige uitvoerende taken verrichten. De arbeidsmarkt verandert. Technologie wordt belangrijker. Technische beroepen worden complexer. Industriële, bouwkundige en onderhoudstechnische functies vragen steeds meer kennis. Juist daarom is het merkwaardig dat een onderwijssysteem leerwegen afschaft zonder dat duidelijk is hoe de verloren mogelijkheden volwaardig worden vervangen. Hervormen is geen doel op zich. Een hervorming die de doorstroom beperkt, jongeren sneller uit school laat verdwijnen en praktische talenten onvoldoende ruimte geeft, kan uiteindelijk eerder een achteruitgang dan een vooruitgang betekenen. Ook het oude onderscheid tussen A-, B- en C-richtingen verdient een eerlijkere beoordeling. Het waren geen simpelweg hogere en lagere treden van intelligentie. Het waren verschillende leerwegen voor verschillende talenten en leerbehoeften. Wie onderwijs gelijkstelt aan één model van academisch succes, doet jongeren met andere kwaliteiten tekort. De bereidheid van de bonden om niet alleen de B-richting terug te brengen, maar zelfs het voormalige vierjarige LBO-systeem opnieuw te bekijken, laat zien hoe groot de onvrede is. Het onderwijsveld vraagt kennelijk niet om cosmetische aanpassingen, maar om een fundamentele herbezinning.
President Simons heeft nu de mogelijkheid om die waarschuwing serieus te nemen. Het aangekondigde overleg met de minister van Onderwijs mag geen nieuwe ronde worden van vergaderen, commissies instellen en besluiten uitstellen. Suriname heeft al te vaak gezien hoe urgente onderwijsproblemen jarenlang blijven liggen totdat een hele generatie de gevolgen draagt. Het beroepsonderwijs verdient een systeem dat jongeren perspectief geeft in plaats van ze zo snel mogelijk richting de arbeidsmarkt te duwen. Het verdient leerwegen die praktisch talent erkennen, maar tegelijkertijd verdere scholing mogelijk maken. En vooral verdient het beleid dat begrijpt dat onderwijs geen kostenpost is die zo efficiënt mogelijk moet worden afgehandeld, maar een investering in de economische toekomst van het land. Als de regering werkelijk werk wil maken van versterking van het beroepsonderwijs, dan is dit het moment om de gemaakte keuzes kritisch te evalueren. De herintroductie van de B-richting en een herwaardering van het vierjarige LBO-systeem kunnen daarbij belangrijke stappen zijn. Maar uiteindelijk gaat het om meer dan het terugdraaien van één onderwijsbesluit. Het gaat om de vraag welk soort samenleving Suriname wil bouwen. Een samenleving waarin jongeren zo snel mogelijk goedkoop inzetbaar worden gemaakt of een samenleving waarin zij de tijd, kennis en kansen krijgen om uit te groeien tot zelfstandige, goedgeschoolde vakmensen. Die keuze zou inmiddels glashelder moeten zijn.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com