Met de eerste bijeenkomst van het Interministerieel Netwerk voor Mensen, inclusief Kinderen, met een Beperking, wil het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (SoZaVo) laten zien dat inclusie hoger op de nationale agenda komt te staan. In samenwerking met UNICEF kwamen vertegenwoordigers van verschillende ministeries bijeen in het United Nations House om te spreken over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD), de Nationale Inclusieagenda en toekomstige gezamenlijke activiteiten. Volgens SoZaVo vormt deze eerste bijeenkomst een belangrijke basis voor een gecoördineerde aanpak van inclusie in Suriname. De aangewezen CRPD-focal points binnen de verschillende ministeries moeten ervoor zorgen dat beleid en wetgeving beter aansluiten op de rechten en behoeften van mensen met een beperking. Ook werd de Inclusiepas Mi D’a Teri Karta gepresenteerd als de eerste concrete activiteit die voortvloeit uit de eerder ondertekende Belofte van Toewijding voor de inclusie van kinderen met een beperking. Het klinkt ambitieus en de intenties zijn zonder meer positief. Toch is het de vraag of de samenleving zich nog tevreden moet stellen met nieuwe overlegstructuren, beleidsplannen en intentieverklaringen. Voor mensen met een beperking is inclusie immers geen theoretisch beleidsstuk, maar een dagelijkse realiteit die zich afspeelt op straat, op school, op de werkvloer en bij overheidsinstanties.
Ondanks de internationale verplichtingen die Suriname is aangegaan door het CRPD te onderschrijven, blijft de praktijk achter. Nog altijd zijn veel openbare gebouwen moeilijk of zelfs onmogelijk toegankelijk voor rolstoelgebruikers. Trottoirs zijn vaak onbegaanbaar, overheidskantoren beschikken lang niet altijd over voorzieningen voor mensen met een fysieke beperking en ook het openbaar vervoer is nauwelijks ingericht op toegankelijkheid. Voor mensen met een visuele of auditieve beperking ontbreken in veel gevallen eveneens de noodzakelijke voorzieningen om zelfstandig gebruik te maken van overheidsdiensten. Ook binnen het onderwijs blijft inclusie een uitdaging. Hoewel steeds vaker wordt gesproken over inclusief onderwijs, zijn veel scholen onvoldoende uitgerust om kinderen met een beperking daadwerkelijk passend onderwijs te bieden. Gebrek aan gespecialiseerde begeleiding, aangepaste leermiddelen en voldoende opgeleide leerkrachten zorgt ervoor dat veel kinderen nog steeds buiten de boot vallen. Daarmee wordt de kans op gelijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie al op jonge leeftijd beperkt. De arbeidsmarkt vormt een ander hardnekkig knelpunt. Werkgevers blijken nog altijd terughoudend om mensen met een beperking in dienst te nemen, terwijl stimuleringsmaatregelen en handhaving van gelijke kansen beperkt blijven. Hierdoor zijn veel mensen afhankelijk van familie of sociale voorzieningen, terwijl zij met de juiste ondersteuning volwaardig zouden kunnen deelnemen aan het arbeidsproces.
Tijdens de bijeenkomst werden afspraken gemaakt over gezamenlijke activiteiten voor het vierde kwartaal van 2026 en werd alvast een activiteitenplan voor 2027 opgesteld. Opvallend is echter dat er nauwelijks concrete en meetbare doelstellingen zijn gepresenteerd. Er is niet bekendgemaakt hoeveel overheidsgebouwen toegankelijk zullen worden gemaakt, hoeveel scholen ondersteuning krijgen, hoeveel mensen met een beperking aan werk moeten worden geholpen of welke budgetten daarvoor beschikbaar worden gesteld. Zonder duidelijke prestatie indicatoren bestaat het risico dat de plannen blijven steken in goede bedoelingen. De presentatie van de Inclusiepas Mi D’a Teri Karta is een stap die volgens SoZaVo concreet invulling moet geven aan de eerder uitgesproken belofte om kinderen met een beperking beter te ondersteunen. Maar ook hierover blijft veel onduidelijk. Welke voorzieningen worden eraan gekoppeld? Welke rechten of voordelen biedt de pas? Hoe wordt misbruik voorkomen en hoe wordt de landelijke invoering georganiseerd? Zonder heldere antwoorden dreigt de pas vooral een symbolisch instrument te worden, terwijl juist structurele voorzieningen het verschil moeten maken. Opvallend is bovendien dat UNICEF opnieuw een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van het inclusiebeleid. De organisatie werd door SoZaVo expliciet bedankt voor de voortdurende technische ondersteuning en samenwerking.
Die samenwerking is waardevol, maar laat tegelijkertijd zien dat Suriname nog sterk afhankelijk blijft van internationale partners om beleid op dit terrein vorm te geven. De uitdaging ligt uiteindelijk bij de overheid zelf, voldoende financiële middelen vrijmaken, wetgeving daadwerkelijk uitvoeren en ministeries aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Inclusie vraagt immers meer dan overleg. Het vraagt investeringen in toegankelijke infrastructuur, inclusief onderwijs, aangepaste zorg, een arbeidsmarkt die gelijke kansen biedt en een overheid die haar dienstverlening voor iedereen bereikbaar maakt. Dat zijn maatregelen die geld, politieke wil en doorzettingsvermogen vereisen. Het opzetten van een interministerieel netwerk kan daarom worden gezien als een noodzakelijke eerste stap, maar zeker niet als een eindresultaat. De waarde van dit netwerk zal uiteindelijk niet worden bepaald door het aantal bijeenkomsten, actieplannen of beleidsdocumenten, maar door de vraag of mensen met een beperking over enkele jaren daadwerkelijk merken dat hun leven is verbeterd. Zolang toegankelijkheid, gelijke kansen en volwaardige participatie voor veel Surinamers nog geen vanzelfsprekendheid zijn, blijft de ambitie van een inclusief Suriname vooral een belofte op papier. De samenleving heeft inmiddels behoefte aan tastbare resultaten, niet alleen aan nieuwe vergadertafels.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com