De Duitse regering kiest er bewust voor om haar biobrandstofbeleid bij te sturen zonder een harde breuk met het verleden, want het kabinet heeft een wetsvoorstel goedgekeurd dat het gebruik van voedings en veevoedingstoffen als grondstof voor biobrandstoffen binnen de bestaande grenzen laat voortbestaan. Daarmee blijft het mogelijk om benzine en diesel te mengen met biodiesel uit onder meer raapzaadolie en gebruikte frituuroliën en met bio ethanol op basis van graan of suiker, zodat de transportsector zijn doelstellingen voor de verlaging van broeikasgasemissies kan blijven halen. Oliebedrijven houden zo de ruimte om een deel van hun reductieverplichtingen in de wegvervoersector te realiseren via bijmenging in plaats van alleen via technische vernieuwing of gedragsverandering. Voor de milieu administratie betekent dit dat een vertrouwd instrument in de klimaatgereedschapskist voorlopig niet wordt weggehaald, ondanks eerdere politieke plannen om dat wel te doen.
Onder de vorige coalitie, waarin de Groenen een prominente rol speelden, lag er juist de intentie om stap voor stap af te stappen van biobrandstoffen die zijn gemaakt van gewassen die ook op het bord of in de voederbak terecht kunnen komen. Die lijn is nu bijgesteld doordat het nieuwe kabinet in zijn ontwerpwet expliciet vastlegt dat dergelijke grondstoffen ook in de komende jaren binnen de huidige plafondwaarden mogen worden gebruikt. De enige duidelijke uitzondering is palmolie, die vanwege ontbossing en andere ecologische schade vanaf 2027 niet meer mag meetellen voor de officiële emissiereducties in de transportsector. Duitsland volgt daarmee een bredere Europese tendens om hoogrisicoproducten uit gevoelige ecosystemen uit de duurzame brandstofmix te duwen, terwijl andere agrarische grondstoffen nog een tijd aan boord blijven.
De ontwerpwet verankert tegelijk onderdelen van de hernieuwbare energierichtlijn van de Europese Unie in de Duitse regels voor vervoer, elektriciteit en warmte, een vertaling die eerder al meerdere keren vertraging opliep. Het gaat daarbij niet alleen om de toegestane soorten biobrandstof, maar ook om de manier waarop bijdragen aan klimaatdoelen worden geteld en gerapporteerd. Zo worden de regels voor het zogenoemde dubbel tellen van bepaalde geavanceerde of op afval gebaseerde biobrandstoffen aangescherpt, zodat niet langer eenvoudig extra papieren winst op reductiedoelen kan worden geboekt door dezelfde liter twee keer in de statistiek op te voeren. Voor de geloofwaardigheid van het systeem is het belangrijk dat de cijfers op de rapporten steeds beter aansluiten bij de reële uitstoot op de weg en niet vooral het resultaat zijn van slimme boekhouding.
In de handelskamers wordt intussen vooral gekeken naar de impact op prijzen van landbouwgrondstoffen, waarbij rapzaad in het bijzonder in de schijnwerpers staat. Handelaren zien met opluchting dat de vraag naar olie uit voedsel en veevoedinggewassen niet abrupt wordt afgeknepen, wat de prijssteun voor raapzaad kan versterken in een markt die sterk leunt op biobrandstofafzet. Ook het terugschroeven van dubbel telpraktijken wordt daar als positief ervaren, omdat dit de vraag naar fysieke volumes kan aanjagen in plaats van alleen naar creatieve certificaten. Tussen de regels door is duidelijk dat Berlijn probeert een balanceeract uit te voeren waarin klimaatambitie, voedselzekerheid, boerenbelangen en industriële voorspelbaarheid in één wetspakket worden gevangen, in de hoop dat zowel de pomp, het veld als de klimaatstatistiek met het nieuwe biobrandstofkader kunnen leven.