In Belém sloot de wereldgemeenschap een klimaattop af die de Amazone centraal moest zetten en die door velen al van tevoren was gedoopt tot de conferentie van het bos. Toch bleef na afloop het gevoel hangen dat de bomen minder bescherming kregen dan gehoopt, ook al vloeide er meer geld dan ooit naar woudlanden en hun bewoners.
Op papier is de oogst indrukwekkend, grote landen openden hun portemonnee voor nieuwe fondsen waarmee tropische bossen beter moeten worden beschermd. Een belangrijk deel daarvan vloeit naar het Braziliaanse initiatief om bedreigde wouden wereldwijd te ondersteunen en daarnaast gaat er extra geld naar het Congogebied waar eveneens reusachtige regenwouden onder druk staan. In de wandelgangen werden ook nieuwe programma’s aangekondigd voor duurzamer rundvlees, sterkere ketens voor hout en andere bosproducten en nieuwe projecten waarmee gemeenschappen inkomsten kunnen halen uit een levende boom in plaats van uit gekapt hout.
Toch sneuvelde datgene waar milieubewegingen en veel delegaties hun hoop op hadden gevestigd, namelijk een verplicht schema waarmee landen stap voor stap zouden laten zien hoe zij hun belofte van nul ontbossing in 2030 waarmaken. Want in de laatste onderhandelingsronde verdween de voorgestelde routekaart uit de definitieve tekst. De topvoorzitter presenteerde als compromis een vrijwillige versie waarin landen zelf bepalen hoe ver zij gaan, waardoor critici vrezen dat mooie woorden opnieuw niet worden vertaald in harde verplichtingen, zeker nu branden en uitbreiding van landbouw gebieden in veel tropische landen blijven opschuiven ten koste van intact bos.
Wat de conferentie wel onderscheidde van alle eerdere bijeenkomsten is de zichtbaarheid van inheemse volken, duizenden leiders uit Amazone, Azië, Afrika en andere regio’s reisden naar Belém om niet langer alleen als symbool te worden opgevoerd maar aan tafels mee te praten over beleid dat hun leefgebied direct raakt. Brazilië kondigde ter plekke de afbakening aan van tien nieuwe inheemse gebieden, samen goed voor een oppervlakte die groter is dan veel landen, en een aanzienlijk deel van het grote bosfonds is expliciet gereserveerd voor gemeenschappen die zelf aantoonbaar wouden beschermen. Vertegenwoordigers van inheemse organisaties spraken na afloop van winst en gemiste kansen tegelijk, omdat hun politieke gewicht duidelijk is toegenomen maar een formele erkenning van landrechten als klimaatbeleid nog altijd geen plaats kreeg op de officiële agenda.
Wetenschappers en ministers benadrukten in toespraken dat de aanpak van klimaatverandering niet los gezien kan worden van het verlies aan soorten en ecosystemen, omdat ieder stuk bos dat verdwijnt zowel koolstof als leefgebied meeneemt, en dat geen enkel land zich die dubbele klap op lange termijn kan permitteren. In die context worden de miljarden die nu voor bossen zijn vrijgemaakt gezien als een noodzakelijke eerste stap, maar niemand met kennis van zaken denkt dat daarmee het gevaar is geweken zolang branden, illegale kap en expansiedrift meer opleveren dan behoud, vooral in staten waar de armoede diep zit en de rechtshandhaving dun is.
Voor Suriname, dat zichzelf graag presenteert als groenste land ter wereld met een groot aandeel intact woud en een groeiende aandacht voor inheemse rechten, ligt in de uitkomst van Belém een duidelijke uitnodiging verborgen. Omdat landen met veel bos steeds meer worden gezien als onmisbare partners en niet enkel als decor van internationale toespraken. Hoe beter Suriname kan laten zien dat boseigenaren, dorpsgemeenschappen en overheid samen werken aan zorgvuldig beheer, transparante monitoring en eerlijke verdeling van opbrengsten, hoe eenvoudiger het wordt om aan te sluiten bij de nieuwe geldstromen en politieke netwerken die rond bos en inheemse bescherming zijn gevormd. Zo zullen toekomstige onderhandelingen niet alleen over de Amazone gaan, maar ook over het regenwoud langs de Surinaamse rivieren dat dezelfde rol speelt in het stabiel houden van het mondiale klimaat.