Een nieuw schooljaar, dezelfde problemen. Terwijl beleidsmakers spreken over economische groei, olie en gas en de toekomst van Suriname, dreigt een groep jonge kinderen opnieuw het slachtoffer te worden van een onderwijsprobleem dat al jaren bekend is, een tekort aan leslokalen. Het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur zoekt nog naar een oplossing voor een groep basisschoolleerlingen die in het eerste kwartaal van het nieuwe schooljaar mogelijk slechts drie dagen per week onderwijs krijgt. De aanschaf van 22 tijdelijke cabines moet voorkomen dat deze kinderen structureel onderwijsachterstand oplopen. Dat zo’n noodoplossing überhaupt nodig is, zegt veel over de staat waarin het basisonderwijs verkeert. Minister Dirk Currie heeft aangegeven dat alle leerlingen die uiterlijk 15 september zijn aangemeld, vanaf 1 oktober op een school worden geplaatst. Maar voor jonge kinderen in bepaalde woongebieden zijn simpelweg onvoldoende lokalen beschikbaar. Omdat het ministerie hen vanwege hun leeftijd niet over langere afstanden naar andere scholen wil vervoeren, wordt nu gekeken naar tijdelijke cabines. Als de cabines op tijd beschikbaar zijn, kunnen de kinderen dagelijks naar school. Als dat niet lukt, rest volgens de minister een regeling waarbij zij gedurende het eerste kwartaal slechts drie dagen per week les krijgen.
Daarmee dreigt inmiddels een bekend scenario zich opnieuw te herhalen. In het afgelopen schooljaar kregen ongeveer 4000 leerlingen al slechts drie dagen per week onderwijs vanwege het tekort aan lokalen. Volgens Currie bleven de resultaten van deze leerlingen achter. De minister erkent daarmee zelf dat de gevolgen niet alleen praktisch zijn, maar rechtstreeks ingrijpen op de ontwikkeling en leerprestaties van kinderen. Toch lijkt drie dagen onderwijs opnieuw als tijdelijke oplossing op tafel te liggen. Het wrange is dat het hier vooral gaat om kinderen die voor het eerst naar school gaan. Juist in die fase wordt de basis gelegd voor lezen, schrijven, rekenen, sociale ontwikkeling en het verdere verloop van de schooljaar. Een kind dat op die leeftijd structureel minder onderwijs geniet dan leeftijdsgenoten, begint zijn schoolcarrière niet onder gelijke omstandigheden. Currie noemt de situatie een keuze waarbij vooraf duidelijk is dat sprake is van ongelijkheid en spreekt uiteindelijk van het minst slechte. Maar voor ouders en kinderen verandert die formulering weinig. Zij krijgen minder onderwijs omdat de overheid onvoldoende ruimte beschikbaar heeft. Daar komt nog een opvallende onduidelijkheid bij. Er werd geen helder beeld gegeven van het precieze aantal kinderen dat door het tekort wordt geraakt.
Aanvankelijk werd gesproken over ongeveer 120 basisschoolleerlingen voor wie nog een plaats wordt gezocht. Later werd een groep van 220 kinderen genoemd die mogelijk drie dagen per week onderwijs krijgt. Welk aantal daadwerkelijk van toepassing is, bleef onduidelijk. Bij een ministerie dat verantwoordelijk is voor de planning en organisatie van onderwijs is dat geen detail. Het gaat om kinderen, klaslokalen, leerkrachten, vervoer en miljoenen aan publieke middelen. Daar hoort een helder overzicht tegenover te staan. Het probleem is bovendien niet nieuw. De overheid weet al geruime tijd dat het aantal leerlingen groeit en dat de beschikbare schoolinfrastructuur tekortschiet. Nieuwe lokalen worden inmiddels op verschillende plaatsen gebouwd, maar zolang die gebouwen niet klaar zijn, worden de gevolgen doorgeschoven naar kinderen. Tegelijkertijd lijkt de aandacht van beleidsmakers vooral uit te gaan naar de grote economische ontwikkelingen die Suriname te wachten staan. De verwachtingen rond olie en gas domineren het publieke debat. Maar economische vooruitgang heeft weinig betekenis als kinderen ondertussen met minder onderwijstijd genoegen moeten nemen omdat er geen lokaal beschikbaar is. Onderwijs is geen restpost die tijdelijk kan worden aangepast wanneer de infrastructuur niet op orde is.
Iedere verloren schooldag heeft gevolgen, zeker wanneer een probleem zich jaar na jaar herhaalt. Voor het voortgezet onderwijs is inmiddels geregeld dat geen enkele leerling nog slechts drie dagen per week les krijgt. Ongeveer 670 leerlingen moeten in het eerste kwartaal wel langere busroutes afleggen. Een deel moet overstappen bij Lyceum I. Ook daar is de oplossing voorlopig vooral logistiek, kinderen worden verplaatst omdat de infrastructuur niet voldoende is. Daarnaast heeft het ministerie achterstallige betalingen voor een gehuurde school inmiddels ingelopen. Na schoonmaak en onderhoud kan het gebouw ongeveer 400 leerlingen huisvesten. Dat roept vooral de vraag op waarom dergelijke capaciteit nu pas beschikbaar komt. De kinderen kunnen uiteindelijk dichter bij huis en vijf dagen per week onderwijs krijgen zodra de nieuwe lokalen gereed zijn. Maar voor ouders die hun kinderen nu naar school zien gaan in een systeem met beperkte onderwijstijd, is uiteindelijk geen oplossing voor vandaag. Suriname kan moeilijk spreken over investeren in de toekomst terwijl duizenden kinderen eerst moeten wachten op een lokaal. De cabines kunnen het acute probleem verlichten. Ze lossen echter niet het structurele probleem op. Zolang onderwijsinfrastructuur pas wordt aangepakt wanneer de nood hoog is, blijft het systeem achter de feiten aanlopen. En zoals inmiddels duidelijk is, zijn het niet de beleidsmakers die daardoor een schooldag verliezen. Het zijn de kinderen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com