De vaste commissie voor Sociale Zaken en Volkshuisvesting van De Nationale Assemblée heeft zich onlangs laten informeren door de Bond van Ambtenaren van het ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting en de Bond van de Esther Stichting. Wat tijdens die bijeenkomst naar voren kwam, laat zich niet afdoen als een verzameling losse klachten van ontevreden werknemers. Het beeld dat werd geschetst, wijst op een structureel falen van beleid, bestuur en personeelszorg. Terwijl de overheid zich profileert als beschermer van de meest kwetsbaren in de samenleving, blijken juist de mensen die deze zorg moeten uitvoeren dagelijks te werken onder omstandigheden die diezelfde overheid onwaardig zijn. De voorzitters van beide vakbonden maakten duidelijk dat de problemen niet van gisteren zijn. Integendeel, het gaat om knelpunten die al geruime tijd bekend zijn, maar waarvoor nog steeds geen duurzame oplossingen zijn gevonden. Dat alleen al is veelzeggend. Wanneer werknemers zich genoodzaakt voelen hun noodklok bij De Nationale Assemblée te luiden, betekent dit dat eerdere signalen kennelijk zijn genegeerd of onvoldoende serieus zijn genomen. De kritiek richt zich niet uitsluitend op de fysieke werkomstandigheden, hoewel ook die volgens de bonden ver beneden de maat zijn.
Werknemers spreken over locaties waar essentiële voorzieningen ontbreken en waar veilig, gezond en efficiënt werken nauwelijks mogelijk is. Dat is niet slechts een interne aangelegenheid. Slechte arbeidsomstandigheden raken uiteindelijk ook de burger. Ambtenaren die onder constante druk en in een gebrekkige werkomgeving moeten functioneren, kunnen onmogelijk de kwaliteit van dienstverlening leveren die de samenleving mag verwachten. Wie afhankelijk is van sociale voorzieningen of zorg vanuit de Esther Stichting, betaalt uiteindelijk de prijs voor bestuurlijk falen. Daarmee raakt deze kwestie een fundamenteel probleem binnen het openbaar bestuur. Er wordt vaak gesproken over hervormingen, modernisering en verbetering van de publieke sector, maar die woorden verliezen elke geloofwaardigheid wanneer werknemers nog steeds moeten opereren in omstandigheden die hun werk onmogelijk maken. Mooie beleidsstukken en politieke beloften betekenen weinig zolang de basisvoorzieningen op de werkvloer ontbreken. Minstens zo ernstig is de voortdurende onduidelijkheid over de rechtspositie van medewerkers. Arbeidsrechtelijke vraagstukken die jarenlang blijven liggen, creëren niet alleen onzekerheid, maar ondermijnen ook het vertrouwen in de werkgever. Een overheid die van burgers verwacht dat zij wet- en regelgeving respecteren, hoort zelf het goede voorbeeld te geven door de rechten van haar eigen werknemers tijdig en correct te regelen. Wanneer juist de overheid hierin tekortschiet, tast dat haar morele gezag aan.
De vakbonden wijzen erop dat de huidige acties binnen de maatschappelijke dienstverlening geen doel op zich zijn, maar een gevolg van jarenlang uitblijvend beleid. Dat is een belangrijk onderscheid. Stakingen en protestacties worden vaak afgeschilderd als hinderlijk of onverantwoord, maar zelden wordt de vraag gesteld waarom werknemers uiteindelijk geen andere uitweg meer zien. Wie alleen de gevolgen bekritiseert en niet de oorzaak aanpakt, kiest voor symptoombestrijding in plaats van structurele oplossingen. De rol van de vaste commissie van De Nationale Assemblée verdient eveneens kritische aandacht. Het informeren van parlementariërs is een noodzakelijke eerste stap, maar de samenleving mag verwachten dat het daarbij niet blijft. Commissievergaderingen leveren regelmatig stevige constateringen op, terwijl concrete verbeteringen vervolgens uitblijven. De vraag is daarom niet alleen of de problemen serieus zijn, daarover lijkt inmiddels weinig discussie mogelijk, maar vooral of de politieke wil aanwezig is om daadwerkelijk in te grijpen. Het ministerie kan zich niet blijven verschuilen achter procedures, begrotingsproblemen of administratieve vertragingen. Wanneer werknemers jarenlang dezelfde knelpunten blijven benoemen zonder zichtbare vooruitgang, ontstaat de indruk dat het gebrek aan daadkracht inmiddels onderdeel van het systeem is geworden.
Dat is een gevaarlijke ontwikkeling voor een ministerie dat juist belast is met sociale bescherming en maatschappelijke ondersteuning. Ironisch genoeg wordt van medewerkers verwacht dat zij dagelijks begrip tonen voor burgers die zich in kwetsbare omstandigheden bevinden, terwijl hun eigen werksituatie al even kwetsbaar is geworden. Dat is niet alleen een organisatorische misser, maar ook een ethisch probleem. Een overheid die goed werkgeverschap predikt, moet dat eerst zelf in praktijk brengen. De signalen van de bonden laten weinig ruimte voor vrijblijvendheid. Zij vragen niet om luxe, maar om fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, rechtszekerheid en een werkomgeving waarin professionals hun werk naar behoren kunnen uitvoeren. Dat zijn geen buitensporige eisen, maar de minimale voorwaarden voor een goed functionerende publieke dienst. De bijeenkomst met de vaste commissie mag daarom niet eindigen als een administratieve formaliteit waarvan een verslag in een archief verdwijnt. Als de politiek werkelijk waarde hecht aan sociale rechtvaardigheid, zal zij nu moeten laten zien dat die begint bij de mensen die het sociale beleid dagelijks uitvoeren. Gebeurt dat niet, dan wordt opnieuw bevestigd dat binnen de overheid problemen pas aandacht krijgen wanneer de dienstverlening volledig vastloopt. Tegen die tijd zijn niet alleen de werknemers, maar ook de samenleving de grootste verliezer.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com