Het VES-debat, dat eigenlijk meer een presentatie van concepten is van partijen, legde Dinsdagavond in het Assuria High Rise een pijnlijk patroon bloot: veel partijen grossieren in slogans, maar concrete en vernieuwende oplossingen bleven uit. Terwijl Suriname met een torenhoge schuldenlast en structurele economische zwakte kampt, vervielen de meeste deelnemers in algemeenheden en herhalingen van oude standpunten.
Temidden van die inhoudelijke leegte sprong een deelnemer er wel uit: econoom en voormalig minister Silvano Tjong-A-Hin. Zijn bijdrage was helder en onderbouwd, maar het miste ook nieuwe concepten die we nodig hebben in 2025. Waar anderen zich vastklampten aan nationalistische retoriek of een blind geloof in grondstoffen, legde Tjong-A-Hin de nadruk op het vertrouwen dat een IMF-samenwerking internationaal uitstraalt. “Zonder vertrouwen van buitenaf gebeurt er niets,” zei hij. “Het IMF dwingt ons ook tot het nemen van moeilijke maar noodzakelijke beslissingen.” Een boodschap die zeldzaam was op een avond vol betogen.
De overige partijen bleven hangen in voorspelbare posities. Francois Abionie (PVC) pleitte voor vertrouwen in eigen kunnen en natuurlijke rijkdommen, zonder ook maar een concreet voorstel te noemen hoe die te benutten. Glen Lont (A-20) noemde het IMF een “betrouwbare partner” en sprak over voordelen, maar vergat te benoemen hoe die structureel benut zouden worden.
Harish Monorath (ABOP) erkende het belang van de IMF-lening in crisistijd, maar kwam niet verder dan het herhalen van bekende feiten zoals de olierijkdom die “vanaf 2028” zou kunnen komen een mantra die al jaren als excuus dient voor beleidsinactiviteit.
De felste tegenstanders, Henk Ramnandanlal (Optsu) en Ronnie Asabina (BEP) leverden stevige kritiek, maar ook zij bleven steken in verontwaardiging zonder helder alternatief. Ramnandanlal bestempelde het hele programma als mislukt, zonder zelfs te erkennen dat Suriname zonder IMF in 2020 op de rand van een faillissement stond. Asabina sprak van een “nationale schande” en wees terecht op gemiste hervormingen, maar kwam niet verder dan vage oproepen tot “interne benutting” van mogelijkheden.
Wat het debat vooral liet zien, is dat veel politieke partijen na vijf jaar crisis geen fundamenteel nieuwe ideeën hebben. Terwijl de economie structureel kwetsbaar blijft, werd er nauwelijks gesproken over digitale innovatie, duurzame industrie of belastingherziening essentiële thema’s voor een toekomstbestendige koers.
Tjong-A-Hin stond daardoor alleen, maar stevig. Zijn betoog was geen lofzang op het IMF, maar een oproep tot pragmatisme. “Je kunt alles zelf willen doen, maar als niemand in je gelooft, gebeurt er niets.” In een zaal vol holle frasen en herhalingen, was dat misschien wel de enige zin die echt ergens op sloeg.
Toch moet ook worden benadrukt dat het debat zelf wel van onschatbare waarde is. De VES-debatten bieden een van de weinige platforms waar economische vraagstukken met enige diepgang worden besproken in verkiezingstijd. Juist in een land waar beleidscontinuïteit en transparantie vaak ontbreken, vormen zulke debatten een cruciaal moment van publieke verantwoording. Het zou Suriname sieren als niet alleen de vorm, maar vooral de inhoud van deze momenten serieuzer werd genomen.