Minister Andrew Baasaron van Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie (EZOTI) wil met steun van de United Nations Industrial Development Organization (UNIDO) een nieuwe impuls geven aan de industriële ontwikkeling van Suriname. De ambitie klinkt vertrouwd, de economie diversifiëren, lokale grondstoffen verwerken, ondernemerschap versterken en voorkomen dat het land straks volledig afhankelijk wordt van olie en gasinkomsten. Maar precies daar ligt het probleem. Suriname heeft geen gebrek aan beleidsvoornemens, intentieverklaringen en ontwikkelingsplannen. Wat al jaren ontbreekt, is een consequente vertaling daarvan naar productie, investeringen, banen en bedrijven die daadwerkelijk concurrerend kunnen opereren. Het onlangs ondertekende Program Country Partnership (PCP) met UNIDO moet de basis vormen voor een roadmap voor de industriële ontwikkeling. Volgens Baasaron wordt al sinds november vorig jaar aan het traject gewerkt. Er wordt gekeken naar gebieden waar ruimte en potentie bestaat voor kleine en middelgrote ondernemingen, naar kansrijke sectoren en naar samenwerking tussen overheid en private sector.
Dat klinkt logisch, maar een roadmap is nog geen industriebeleid en industriebeleid is nog geen industrie. De minister benadrukt zelf dat uiteindelijk processing units en fabrieken zichtbaar moeten worden. Daarmee raakt hij de kern van het probleem. Suriname heeft weinig aan nog een document waarin ambities, sectoren en mogelijkheden worden beschreven als daar geen harde keuzes, investeringsvoorwaarden, infrastructuur en uitvoeringsmechanismen tegenover staan. De komende jaren kunnen olie en gasinkomsten de economische verhoudingen ingrijpend veranderen. Juist daarom is het riskant om industrialisatie vooral als een toekomstproject te behandelen. Grote grondstoffeninkomsten kunnen de druk om andere sectoren te ontwikkelen juist verminderen. Wanneer de staat relatief gemakkelijk inkomsten uit olie en gas ontvangt, bestaat het gevaar dat landbouw, verwerking, maakindustrie en technologie opnieuw op de tweede plaats komen. Diversificatie betekent bovendien meer dan het aanwijzen van sectoren die theoretisch potentie hebben. Het betekent dat Suriname daadwerkelijk producten moet kunnen maken die zowel binnenlands als regionaal kunnen worden afgezet. Dat vereist betrouwbare energie, transport, havens, financiering, vakbekwaam personeel, voorspelbare regelgeving en een overheid die vergunningen en procedures niet onnodig vertraagt. Het voornemen om lokale grondstoffen meer te verwerken is daarom belangrijk. Suriname exporteert traditioneel veel waarde in onbewerkte of beperkt verwerkte vorm.
Meer verwerking kan zorgen voor extra economische activiteit en werkgelegenheid. Maar ook hier geldt dat toegevoegde waarde niet automatisch ontstaat omdat een product lokaal wordt verwerkt. De productie moet efficiënt genoeg zijn om te concurreren met importen en met bedrijven in andere Caribische landen en daarbuiten. De regionale component die Baasaron benadrukt, is daarom cruciaal. Suriname moet voorkomen dat het industriebeleid wordt opgebouwd rond producten waarvoor in de regio al voldoende aanbod bestaat. Samenwerking binnen Caricom en afstemming met internationale handelsregels kunnen helpen om productie en markten beter op elkaar aan te sluiten. Een fabriek zonder voldoende afzetmarkt is immers vooral een dure investering. Ook de ontwikkeling van arbeidskrachten verdient meer dan algemene aandacht. Nieuwe industrieën hebben technici, operators, managers en gespecialiseerde vakmensen nodig. Volgens Baasaron kunnen buitenlandse bedrijven bijdragen aan training op de werkvloer. Dat kan waardevol zijn, maar het effect hangt af van de voorwaarden waaronder dergelijke investeringen plaatsvinden. Zonder duidelijke afspraken over kennisoverdracht bestaat het risico dat buitenlandse bedrijven vooral buitenlandse expertise aantrekken terwijl Surinaamse werknemers aan de onderkant van de productieketen blijven.
Ook rond local content lijkt nog institutionele versnippering te bestaan. EZOTI heeft volgens de minister nog geen vertegenwoordiger in de Local Content Board, terwijl hij tegelijkertijd benadrukt dat local content verder moet reiken dan alleen de olie en gassector. Dat is een opvallende tegenstelling. Als Suriname lokale bedrijven structureel wil laten profiteren van economische groei, moeten de betrokken overheidsinstanties niet langs elkaar heen werken. De samenwerking met UNIDO kan expertise, structuur en internationale ervaring opleveren. Maar geen enkele internationale organisatie kan het fundamentele uitvoeringsprobleem van Suriname oplossen. De verantwoordelijkheid voor keuzes, prioriteiten en resultaten blijft bij de Surinaamse overheid en het bedrijfsleven. De echte maatstaf voor het industriële beleid zal daarom niet het aantal ondertekende overeenkomsten, bijeenkomsten of beleidsdocumenten zijn. De maatstaf ligt straks in het aantal nieuwe ondernemingen, fabrieken, verwerkingsbedrijven, geschoolde werknemers, exportproducten en duurzame banen. Suriname staat aan de vooravond van een periode waarin de olie en gasindustrie grote financiële mogelijkheden kan creëren. Juist daarom moet industrialisatie nu worden behandeld als een economische noodzaak en niet als een vrijblijvende ontwikkelingsambitie. Als de beloofde fabrieken en verwerkingsbedrijven uitblijven, blijft de diversificatie van de economie uiteindelijk vooral bestaan uit woorden op papier.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com