De komst van het Colombiaanse technische samenwerkingsinitiatief W6 naar het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) wordt gepresenteerd als een grote stap richting innovatie, voedselzekerheid en economische groei. Maar achter de diplomatieke woorden over kennisuitwisseling en strategische samenwerking schuilt een harde realiteit, de Surinaamse agrarische sector is nog altijd sterk afhankelijk van buitenlandse expertise om fundamentele problemen op te lossen. Tijdens een ontmoeting met minister Mike Noersalim presenteerde W6 mogelijkheden voor samenwerking op het gebied van landbouwtechnologie, irrigatiebeheer, veeteelt, visserij en wetenschappelijk onderzoek. Het klinkt veelbelovend. Een buitenlands team van ingenieurs, onder leiding van CEO William Paez en directeur Xiomara Paez, zegt klaar te staan om technologische oplossingen te ontwikkelen die de productiesector moeten versterken.
Waarom moet Suriname telkens naar externe partijen kijken om basisproblemen in een sector die cruciaal is voor de nationale economie aan te pakken? Suriname beschikt over vruchtbare grond, voldoende waterbronnen en een strategische ligging in de regio. Toch blijft de landbouwsector achter bij landen die veel minder natuurlijke voordelen hebben. Problemen zoals gebrekkige infrastructuur, inefficiënte irrigatiesystemen, beperkte mechanisatie, lage productiviteit en onvoldoende onderzoekscapaciteit blijven al jaren bestaan. Dat een buitenlandse organisatie nu technische ondersteuning moet aanbieden, is niet alleen een kans, maar ook een spiegel voor het beleid van de afgelopen jaren. Waar zijn de structurele investeringen gebleven? Waarom heeft Suriname nog steeds geen sterk nationaal netwerk van landbouwtechnologen en onderzoekers dat zelfstandig grootschalige innovaties kan ontwikkelen?
Een opvallend onderdeel van de samenwerking is dat W6 aangeeft dat de activiteiten volledig door internationale partners worden gefinancierd. Materialen, transport en uitrusting zouden niet uit Surinaamse middelen betaald worden. Dat klinkt positief, zeker in een periode waarin overheidsfinanciën zwaar onder druk staan. Maar buitenlandse financiering mag geen reden zijn om kritische vragen achterwege te laten. Wie bepaalt de prioriteiten? Welke technologieën worden geïntroduceerd? Wordt kennis daadwerkelijk overgedragen aan Surinaamse deskundigen of blijft het land afhankelijk van buitenlandse experts zodra de samenwerking eindigt? Suriname heeft in het verleden vaker projecten gezien waarbij buitenlandse consultants kwamen, rapporten schreven en vervolgens vertrokken zonder dat de lokale capaciteit duurzaam werd versterkt. Minister Noersalim noemt de samenwerking essentieel voor een betere toekomst en ziet kansen om de positie van Suriname in de regio te versterken. Die ambitie is begrijpelijk, maar woorden moeten worden gevolgd door concrete resultaten. De landbouwsector heeft geen tekort aan plannen en intenties. Het ontbreekt vooral aan uitvoering.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com