De recente toelichting van minister van Openbare Werken en Ruimtelijke Ordening, Stephan Tsang, schetst een beeld van een land dat opnieuw wordt ingehaald door de realiteit van zijn eigen waterbeheer, ad-hoc oplossingen, defecte infrastructuur en een groeiende afhankelijkheid van buitenlandse hulp. De inzet van de Guyanese pompen in zwaar getroffen gebieden zoals Rahimal en het Sabaku-project gaat gepaard met ingrijpende tijdelijke infrastructuurwerken. Zo moet voor de installatie bij Rahimal een deel van de Indira Gandhiweg worden opengebroken om een lozingsleiding aan te leggen, met tijdelijke afsluiting van een belangrijke verkeersader tot gevolg. Het illustreert een klassiek patroon in crisisbeheer, eerst de nood, daarna pas de infrastructuurplanning. Ook de situatie bij Weg naar Zee wordt door de minister gepresenteerd als onder controle, maar de onderliggende problemen blijven bestaan. Het zeewater komt momenteel niet meer de percelen binnen dankzij een nooddam. Tegelijkertijd ontstaat een nieuw probleem, regenwater kan niet wegtrekken.
De aangekondigde bouw van een nieuwe sluis bij de Brantimakkaweg en de samenwerking met een Nederlands kennisinstituut tonen aan dat de overheid inzet op langetermijnstudies en gefragmenteerde ingrepen. De huidige dam wordt zelf omschreven als een noodkleidam, niet duurzaam en niet bedoeld als permanente bescherming. De ambitie om op lange termijn een combinatie van dijken en mangroveherstel toe te passen klinkt ecologisch verstandig, maar roept tegelijk vragen op over de trage uitvoering van structurele kustbescherming. Dat er bovendien wordt teruggegrepen op eerdere projecten van professor Naipal, waarvan slechts delen succesvol zouden zijn geweest, benadrukt het gebrek aan een eenduidige strategie. Een ander spanningsveld dat wordt aanhaalt, is het spuien van water bij het stuwmeer in relatie tot energieopwekking door Staatsolie Power Company Suriname en de coördinatie met rampeninstanties. Hier wordt duidelijk hoe fragiel de balans is tussen energieproductie en overstromingspreventie. Het feit dat deze afweging telkens ad hoc moet worden gemaakt, wijst op een gebrek aan geïntegreerd water- en energiebeheer.
De minister waarschuwde voor nieuwe zware regenval, terwijl eerdere voorspelde onweersbuien Paramaribo net hebben gemist. De uitspraak dat de stad door het oog van de naald is gekropen, is veelzeggend, het suggereert dat geluk soms een impliciete factor is in de bescherming van de hoofdstad. Dat is geen geruststellende gedachte in een land waar klimaatverandering, stijgende zeespiegel en toenemende neerslag juist om precisie, preventie en structurele investeringen vragen. Suriname reageert nog altijd sterker op waterproblemen dan dat het ze voorkomt. Defecte pompen, tijdelijke dammen, noodoplossingen en externe hulp vormen samen geen beleid, maar een noodrepertoire. Zonder versnelling in structurele investeringen in drainage, kustbescherming en onderhoud van cruciale infrastructuur, blijft elke regenbui niet alleen een meteorologisch verschijnsel, maar een test voor de bestuurlijke veerkracht van het land.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com