In de wandelgangen van het congrescentrum in Genève schoof Suriname nadrukkelijk naar voren toen Rabin Parmessar werd verkozen tot vicepresident van de Group of Latin America and the Caribbean, beter bekend als Grulac. Een besluit dat viel vlak voor de aanvang van de Algemene Vergadering van de Interparlementaire Unie en dat de speelruimte van Paramaribo binnen het parlementaire diplomatiecircuit merkbaar vergroot.
De zetelwinst kreeg meteen gewicht doordat Asis Gajadien namens Grulac werd voorgedragen voor de High Level Advisory Group on Countering Terrorism and Violent Extremism. Hij sluit daarmee een lange periode af als president en lid van de Commissie voor Democratie en Mensenrechten en neemt die ervaring mee naar een forum waar veiligheidsvraagstukken, rechtsstatelijkheid en burgerrechten elkaar raken.
De Surinaamse delegatie staat onder leiding van Parmessar en bestaat verder uit Geneviève Jordan, met ondersteuning van substituut griffier Agatha Ramdass, daarnaast neemt griffier Ruth de Windt deel aan de conferentie voor griffiers. Samen vormen zij een compact team dat plenair werk combineert met bilaterale afspraken en technische sessies achter de schermen. Grulac vulde zijn bestuur in voor een nieuwe ambtstermijn die loopt tot en met de volgende cyclus en koos de Chileense senator Rojo Edwards als voorzitter, daarmee ligt de regie bij een duo dat het continentale palet goed weerspiegelt en dat de coördinatie van standpunten en kandidatenlijsten tijdens IPU week moet stroomlijnen.
De regionale groep vertegenwoordigt de parlementen van Latijns Amerika en het Caribisch gebied, organiseert interne afstemming voor plenaire rondes en verkiezingen en draagt kandidaten voor functies en mandaten binnen de IPU. Landen als Suriname, Brazilië, Argentinië, Colombia, Chili, Mexico, Uruguay, Ecuador, de Dominicaanse Republiek en Jamaica trekken in dit verband gezamenlijk op zodat regionale prioriteiten coherenter landen in resoluties en adviesorganen. Het hoofdpodium van de IPU draait dit jaar om de handhaving van humanitaire normen en de ondersteuning van hulpoperaties in tijden van crisis, een thema dat de kloof tussen waardegedreven retoriek en uitvoerbare afspraken blootlegt, daar liggen kansen voor kleine staten die met zorgvuldig vakmanschap doorslaggevende alinea’s aan teksten toevoegen en zo boven hun gewicht meespelen.
Wat dit moment vooral betekenis geeft is de combinatie van zichtbaarheid en vakwerk, een vicepresidentschap levert pas op wanneer het wordt omgezet in strakke coördinatie. En een adviesrol rond terrorismebestrijding weegt pas werkelijk wanneer die positie wordt benut om mensenrechten, due process en praktische samenwerking tegelijk te bewaken, wie dossiers vroegtijdig voorbereidt en bondgenoten tijdig bij elkaar brengt merkt dat invloed groeit zonder dat het volume omhoog hoeft.